ECLI:NL:RBDHA:2022:11124
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in vreemdelingenrechtelijke zaak verblijfsrecht gemeenschapsonderdaan
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 11 december 2020 vastgesteld dat het verblijfsrecht van verzoeker als gemeenschapsonderdaan van rechtswege is geëindigd op 22 juni 2017. Tevens werd een aanvraag voor een document duurzaam verblijf afgewezen en het verblijfsrecht van de dochter van verzoeker eveneens beëindigd. Verzoekers maakten bezwaar tegen deze besluiten, welke door verweerder ongegrond werden verklaard.
Tegen deze besluiten werd beroep ingesteld en werd een voorlopige voorziening gevraagd bij de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter besloot het onderzoek zonder zitting te sluiten. Bij uitspraak van 17 maart 2022 verklaarde de rechtbank de beroepen ongegrond en oordeelde dat er geen grond was voor het treffen van een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af als kennelijk ongegrond op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan in het openbaar en er staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen als kennelijk ongegrond.