ECLI:NL:RBDHA:2022:11015
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening bewaring vreemdeling niet-ontvankelijk na intrekking beroep
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan verzoeker een maatregel van bewaring opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Verzoeker stelde hiertegen beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening. Nadat de maatregel van bewaring werd opgeheven en een schadevergoeding werd aangeboden, trok verzoeker het beroep in, maar handhaafde het verzoek om voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat door het intrekken van het beroep geen beroepsprocedure meer loopt en dat daardoor de vereiste connexiteit voor het treffen van een voorlopige voorziening ontbreekt. Op grond hiervan verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk zonder zitting.
Daarnaast wees de voorzieningenrechter het verzoek om proceskostenvergoeding af. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van connexiteit na intrekking van het beroep.