ECLI:NL:RBDHA:2022:10981
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet ontvankelijk na gegrondverklaring bezwaar verblijfsvergunning
Verzoeker, van Marokkaanse nationaliteit, kreeg op 17 oktober 2019 een verblijfsvergunning ingetrokken en een inreisverbod opgelegd voor tien jaar. Dit besluit gold tevens als terugkeerbesluit. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 11 november 2020 werd afgewezen met aanpassing van de intrekkingsdatum. Hiertegen stelde verzoeker beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting op 15 juni 2021 trok verzoeker het beroep in, waardoor het verzoek om voorlopige voorziening werd geacht betrekking te hebben op het primaire besluit.
Op 21 juni 2021 verklaarde verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit gegrond. Omdat tegen dit besluit geen rechtsmiddelen zijn aangewend, is er geen bodemzaak meer die samenhangt met het verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde daarom dat het verzoek niet ontvankelijk is. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak van 22 april 2022 door voorzieningenrechter G.P. Loman is definitief en er staat geen hoger beroep of verzet tegen open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet ontvankelijk verklaard na gegrondverklaring van het bezwaar tegen het primaire besluit.