ECLI:NL:RBDHA:2022:10847
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen omzettingsvergunning voor woning in Den Haag
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verleende op 10 juni 2019 een omzettingsvergunning voor het omzetten van een zelfstandige woning naar een onzelfstandige woonruimte voor zes bewoners. Diverse VVE's maakten bezwaar en stelden dat de bewoning leidde tot overlast, een onveilig woon- en leefmilieu en een brandonveilige situatie nabij een parkeergarage. Het bezwaar werd op 13 februari 2020 ongegrond verklaard, waarna de eisers beroep instelden bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep op 5 oktober 2022 behandeld en oordeelt dat de vergunning terecht is verleend. De aanvraag voldeed aan de Huisvestingswet 2014, het Bouwbesluit 2012, de Huisvestingsverordening 2015-2019 en het beleid dat kamerverhuur faciliteert. Er waren geen meldingen van overlast bij het Meld- en Steunpunt Woonoverlast en de brandweer had geen bezwaren.
De rechtbank stelt vast dat de eisers geen concrete feiten hebben aangedragen die aantonen dat de vergunning heeft geleid tot een onaanvaardbare inbreuk op het woon- en leefmilieu. Ook het argument over de brandveiligheid nabij de parkeergarage faalt omdat deze situatie niet exclusief is voor de bewoners van de woning. De korte termijn tussen advies en besluitvorming leidt niet tot onzorgvuldigheid of onvoldoende motivering.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst zij het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Kleijn en griffier N.Y. Majoor op 19 oktober 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen de omzettingsvergunning wordt ongegrond verklaard.