Eiser exploiteert een schapenhouderij en caravanstalling op een perceel met agrarische bestemming. Verweerder legde een last onder dwangsom op omdat eiser een terreinverharding achter de caravanstalling had aangelegd op gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden', in strijd met het bestemmingsplan. Eiser voerde aan dat de verharding noodzakelijk is voor de bereikbaarheid van de stal en hulpdiensten en dat deze al decennia aanwezig is.
De voorzieningenrechter oordeelt dat een deel van de verharding buiten het bouwvlak ligt en zonder vergunning niet is toegestaan. Er is geen concreet zicht op legalisatie omdat verweerder geen vergunning zal verlenen. Handhaving is niet onevenredig; het bedrijf kan zonder de verharding blijven functioneren en eiser heeft zelf de situatie gecreëerd door de caravanstalling bijna tot de rand van het bouwvlak te bouwen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter J. Schaaf op 18 oktober 2022.