ECLI:NL:RBDHA:2022:10702
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen gebiedsverbod in centrum Den Haag
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen een gebiedsverbod dat hem door de burgemeester van Den Haag is opgelegd voor drie maanden wegens herhaalde verstoring van de openbare orde in een deel van het centrum van Den Haag. Het gebiedsverbod geldt van 8 augustus tot en met 8 november 2022 en betreft onder meer het centrum rondom het gemeentehuis, politiebureaus en het Paleis van Justitie.
Verzoeker betwist de bevoegdheid van de burgemeester en stelt dat er geen actuele of ernstige vrees voor verstoring is, en dat het gebiedsverbod onevenredig is. De voorzieningenrechter oordeelt dat ondanks dat verzoeker niet in Den Haag woont of werkt, er voldoende spoedeisend belang is vanwege zijn frequente aanwezigheid in het gebied voor politieke activiteiten, zeker met het oog op Prinsjesdag.
De rechter stelt dat de burgemeester aannemelijk heeft gemaakt dat verzoeker herhaaldelijk de openbare orde heeft verstoord en dat er ernstige vrees bestaat voor verdere verstoring. Niet alle incidenten uit de rapportage worden aan verzoeker toegerekend, maar voldoende incidenten blijven over om het gebiedsverbod te rechtvaardigen.
De belangenafweging leidt tot de conclusie dat het belang van het beëindigen van de overlast zwaarder weegt dan het belang van verzoeker bij zijn bewegingsvrijheid. Het gebiedsverbod is een geschikt en noodzakelijk middel, minder ingrijpende maatregelen bleken onvoldoende. Bovendien is een uitzondering gemaakt voor het Malieveld en een deel van het Koekamp, zodat verzoeker kan blijven demonstreren.
Daarom wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het gebiedsverbod wordt afgewezen.