ECLI:NL:RBDHA:2022:10578
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige
Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'arbeid als zelfstandige'. Deze aanvraag is op 2 december 2021 afgewezen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard op 7 maart 2022.
Tegen het besluit van niet-ontvankelijkheid stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank. Tevens verzocht hij om een voorlopige voorziening om uitzetting tijdens de bezwaarprocedure te voorkomen. De rechtbank oordeelt dat een verzoek om voorlopige voorziening alleen mogelijk is indien er een bezwaar of beroep aanhangig is, en stelt het verzoek gelijk aan een verzoek tijdens het beroep.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond in een andere procedure (AWB 22/1920) en wijst daarom het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt afgewezen omdat het beroep ongegrond is verklaard.