ECLI:NL:RBDHA:2022:10122
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de verzoeker een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij besluit van 12 april 2019. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het bezwaar was beslist.
Bij besluit van 3 december 2021 verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding in bezwaar af. Verzoeker trok vervolgens het verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht om een veroordeling van de staatssecretaris in de proceskosten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 8:75a Awb, omdat de staatssecretaris niet aan het verzoek om voorlopige voorziening was tegemoetgekomen. Daarom werd het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen. Ook een vergoeding van het griffierecht werd geweigerd omdat de wettelijke voorwaarden daarvoor niet waren vervuld.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor tegemoetkoming.