ECLI:NL:RBDHA:2022:10078

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 september 2022
Publicatiedatum
3 oktober 2022
Zaaknummer
22_2760
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing proceskostenvergoeding na intrekking verzoek voorlopige voorziening gehandicaptenparkeerkaart

Verzoeker had een aanvraag tot verlenging van een Europese gehandicaptenparkeerkaart als bestuurder ingediend, welke door verweerder werd afgewezen. Na bezwaar bleef het besluit gehandhaafd, waarna verzoeker beroep instelde en een voorlopige voorziening vroeg. Tijdens de procedure werd het verzoek aangehouden en besloot verweerder alsnog de gehandicaptenparkeerkaart toe te kennen op basis van nieuwe medische informatie die na het bestreden besluit was verstrekt.

Verzoeker trok daarop het verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht om vergoeding van de proceskosten. Verweerder wees dit af omdat het oorspronkelijke besluit correct was op basis van de toen bekende gegevens en de nieuwe informatie pas tijdens de procedure naar voren kwam.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de toekenning van de parkeerkaart niet kan worden gezien als een tegemoetkoming in de zin van de Awb, omdat deze gebaseerd is op nieuwe feiten die na het bestreden besluit zijn ontstaan. Daarom wees hij het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is onherroepelijk.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de toekenning van de gehandicaptenparkeerkaart gebaseerd is op nieuwe medische informatie die na het bestreden besluit is opgekomen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/2760

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 september 2022 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. M. Raaijmakers),
en

ISD Bollenstreek, Intergemeentelijke Sociale Dienst, verweerder

(gemachtigde: M.A. Haji).

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2021 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om (verlenging van) een Europese gehandicaptenparkeerkaart als bestuurder afgewezen.
Bij besluit van 23 november 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft met behulp van een beeldverbinding plaatsgevonden op 17 mei 2022. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek ter zitting is aangehouden.
Bij brief van 14 juni 2022 heeft verweerder aan de rechtbank bericht dat alsnog wordt overgegaan tot verstrekking van een gehandicaptenparkeerkaart.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De voorzieningenrechter heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de voorzieningenrechter meegedeeld dat er geen reden is om tot vergoeding van de proceskosten over te gaan, aangezien het bestreden besluit correct was op basis van de toen bekende gegevens. De nieuwe informatie is pas in deze procedure naar voren gebracht.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. De voorzieningenrechter overweegt het volgende. Uit het dossier blijkt dat verzoeker lijdt aan meerdere medische aandoeningen. In 2019 is aan verzoeker een gehandicaptenparkeerkaart toegekend voor de duur van twee jaar in verband met een beperkte inspanningstolerantie door een stoornis in de bloedvorming (AIHA). De afwijzing van de gehandicaptenparkeerkaart in het bestreden besluit is gebaseerd op het advies van Argonaut van 16 juni 2021, waarin is geconcludeerd dat deze afwijkingen na behandeling zijn genormaliseerd. Verzoeker heeft tijdens de hoorzitting ook aangegeven dat de kortademigheid was verbeterd. Ter zitting heeft verzoeker aangegeven dat de kortademigheid sinds 5 weken is verslechterd. Verzoeker heeft voorafgaand aan de zitting een brief van de behandelend hemato-oncoloog van 3 december 2021 in het geding heeft gebracht, waaruit blijkt dat de AIHA onder controle is en dat er een goede respons is op de therapie. Wel blijkt dat er bij verzoeker sprake is van massale longembolieën. Dit laatste gaf aanleiding om verweerder te verzoeken dit voor commentaar voor te leggen aan de adviserend geneeskundige. Uit het rapport dat de adviserend geneeskundige van Argonaut vervolgens op 31 mei 2022 heeft uitgebracht, blijkt dat hij heeft geadviseerd om verzoeker alsnog in aanmerking te laten komen voor een gehandicaptenparkeerkaart. Hij heeft dit geconcludeerd op basis van door verzoeker nieuw verstrekte medische stukken, namelijk de brief van de huisarts van 18 mei 2022 en met name de brief van de hemato-oncoloog van 17 mei 2022. Volgens de adviserend geneeskundige blijkt uit die stukken dat de chronische auto-immuunaandoening waar verzoeker aan lijdt (AIHA) is gerecidiveerd en dat behandeling geen duurzaam positief effect heeft gehad. De medisch specialist vermeldt dat er een zeer lage mate van reversibiliteit wordt verwacht. Gezien deze nieuwe bevindingen wordt het voldoende plausibel geacht dat er sprake is van een duurzame en objectiveerbare loopbeperking. Er zijn geen voorliggende behandelmogelijkheden waardoor de actieradius significant zou kunnen verbeteren in de komende zes maanden.
4. Het voorgaande betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat de toekenning van de gehandicaptenparkeerkaart is gelegen in nieuwe medische informatie die pas na het bestreden besluit is opgekomen en een ander licht op de zaak werpt. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat geen sprake is van een tegemoetkomen door verweerder zoals bedoeld in artikel 8:75a van de Awb.
5. Het verzoek om vergoeding van de proceskosten zal daarom worden afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.B. Wijnholt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2022.
griffier
Voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.