Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 13 april 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij is tevens een inreisverbod aan eiser uitgevaardigd voor de duur van tien jaar.
Overwegingen
Inreisverbod
K. en H.F. [11] uiteengezet hoe met dit criterium moet worden omgegaan bij vreemdelingen op wie artikel 1F van het Vv van toepassing is. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 16 december 2020 [12] de betekenis van het arrest
K. en H.F.voor het Nederlands bestuursrechtelijk stelsel uiteengezet. De Afdeling heeft overwogen dat niet langer kan worden gehandhaafd dat de toepasselijkheid van artikel 1F van het Vv automatisch tot het oordeel leidt dat de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt. Verweerder moet een individuele beoordeling te maken waarbij de in punt 66 van het arrest
K. en H.F.genoemde omstandigheden kenbaar worden betrokken.
K. en H.F.genoemde omstandigheden betrokken. Verweerder heeft in zijn beoordeling zwaar gewicht toegekend aan de ernst van het misdrijf waaraan eiser zich schuldig heeft gemaakt. Dit misdrijf blijft naar zijn aard zeer lang actueel, waardoor het sindsdien verstreken tijdsverloop slechts een marginale betekenis kan hebben. De enkele omstandigheid dat het gedrag van eiser zich heeft voorgedaan in de specifieke maatschappelijke context van zijn land van herkomst, staat aan de vaststelling dat eiser een actueel gevaar voor de openbare orde vormt niet in de weg. Op grond hiervan heeft verweerder aan eiser een vertrektermijn kunnen onthouden en terecht tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. De beroepsgrond slaagt niet.