ECLI:NL:RBDHA:2021:9894
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting naar Democratische Republiek Congo
Verzoeker, met de Congolese nationaliteit, heeft meerdere asielaanvragen gedaan, waarvan de voorlaatste op 21 oktober 2020 kennelijk ongegrond werd verklaard. Deze beslissing werd bevestigd door de rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Op 3 september 2021 diende verzoeker een nieuwe asielaanvraag in, maar verweerder besloot de uitzetting niet op te schorten omdat er geen nieuwe elementen waren ingebracht.
Verzoeker stelde dat hij niet tijdig (48 uur vooraf) was geïnformeerd over de uitzetting, maar dit beroep faalde omdat de gemachtigde verkeerde informatie gebruikte over de uitzettingsdatum. Daarnaast voerde verzoeker aan dat het rapport van het gehoor onjuiste weergave bevatte van verklaringen die een vertrouwensbeginsel zouden rechtvaardigen. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat er geen ondubbelzinnige toezeggingen door het bestuursorgaan waren gedaan die een rechtens te honoreren verwachting konden scheppen.
De rechtbank concludeerde dat het bezwaar tegen het besluit en de feitelijke uitzetting geen redelijke kans van slagen heeft. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzetting naar Congo wordt afgewezen.