ECLI:NL:RBDHA:2021:9809

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 augustus 2021
Publicatiedatum
6 september 2021
Zaaknummer
NL21.7772
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen ongegrondverklaring beroep in Dublinprocedure Oostenrijk

Opposant heeft beroep ingesteld tegen een beslissing van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin Oostenrijk werd aangewezen als verantwoordelijke voor de behandeling van zijn asielaanvraag. De rechtbank heeft dit beroep op 23 juni 2021 buiten zitting ongegrond verklaard, omdat het oordeel dat Oostenrijk verantwoordelijk is en het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, buiten redelijke twijfel stond.

Tegen deze uitspraak is verzet ingesteld. Tijdens de zitting op 12 augustus 2021 heeft opposant via videoverbinding deelgenomen en zijn standpunten toegelicht, waaronder dat hij binnen vier dagen in Oostenrijk een asielbeschikking ontving zonder inhoudelijke hoorzitting en dat Oostenrijk geen deugdelijk onderzoek heeft verricht. De rechtbank oordeelt echter dat deze stellingen reeds in de eerdere uitspraak zijn beoordeeld en dat er geen nieuwe informatie is aangevoerd die het oordeel zou kunnen wijzigen.

De rechtbank concludeert dat het verzet ongegrond is en dat de buiten zitting gewezen uitspraak in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzet tegen de ongegrondverklaring van het beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.7772 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[Opposant] , opposant, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),

Procesverloop

Opposant heeft tegen de beslissing op bezwaar van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 20 mei 2021 beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 23 juni 2021 heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
De rechtbank heeft het verzet, gelijktijdig met verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening NL21.12756, op 12 augustus 2021 op zitting behandeld. De gemachtigde van opposant heeft middels een videoverbinding deelgenomen aan de zitting. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. C. van der Zijde.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat.
2. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de staatssecretaris mocht oordelen dat dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van opposant en dat de staatssecretaris mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Oostenrijk.
3. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of zij in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
4. Opposant voert aan dat het beroep ten onrechte kennelijk ongegrond is verklaard en daarom niet op een zitting is behandeld. De rechtbank heeft ten onrechte gesteld dat eiser zijn standpunt dat Oostenrijk geen deugdelijk onderzoek heeft verricht naar zijn asielverzoek op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd. Verder heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat opposant er vanuit kan gaan dat zijn asielverzoek en mogelijke uitzetting naar Egypte zorgvuldig door Oostenrijk zullen worden behandeld. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het relaas van opposant geen indicaties biedt voor het oordeel dat de Oostenrijkse asielprocedure niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. De overweging dat opposant zich tot de Oostenrijkse autoriteiten kan wenden en dat niet is gebleken dat zij opposant niet kunnen of willen helpen kon de rechtbank eveneens niet in redelijkheid innemen.
5. In wat opposant heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 23 juni 2021.
6. Opposant heeft ter zitting toegelicht dat hij heeft getracht te onderbouwen dat hij binnen vier dagen in Oostenrijk een asielbeschikking heeft gekregen en ook niet inhoudelijk is gehoord. Opposant heeft hiertoe contact opgenomen met de Oostenrijkse autoriteiten, maar krijgt geen stukken. Opposant stelt dat hij alles heeft gedaan wat hij kon om zijn stellingen aan te tonen en dat het dan niet past om de zaak buitten zitting af te doen.
7. De rechtbank stelt vast dat de stellingen van eiser zijn beoordeeld in de buiten-zitting uitspraak. Opposant heeft ter zitting in verzet geen nieuwe stellingen of informatie naar voren gebracht. Dat opposant het niet eens is met de inhoud van de uitspraak is onvoldoende om het verzet gegrond te verklaren. De rechtbank ziet dat de gemachtigde heeft getracht zijn stellingen te onderbouwen, dit laat echter onverlet dat in verzet geen (nieuwe) informatie naar voren is gebracht waaruit volgt dat de rechtbank in de buiten-zitting uitspraak niet zonder een onderzoek ter zitting had mogen oordelen over de beroepsgronden.
8. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van
mr.F.E.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.