ECLI:NL:RBDHA:2021:9178

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 augustus 2021
Publicatiedatum
20 augustus 2021
Zaaknummer
AWB 21/4816
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet COaArt. 7 Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging opvang asielzoeker

Verzoeker diende op 12 juni 2021 een asielaanvraag in, die op 24 juni 2021 werd afgewezen als kennelijk ongegrond met oplegging van een inreisverbod van twee jaar. De rechtbank Amsterdam verklaarde het tegen deze beslissing ingestelde beroep op 3 augustus 2021 kennelijk ongegrond en wees het verzoek tot voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is onherroepelijk.

Naar aanleiding van de beëindiging van de opvang en verstrekkingen per 4 augustus 2021 door het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COa) heeft verzoeker beroep ingesteld en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter oordeelt dat hij bevoegd is kennis te nemen van het verzoek omdat de beëindiging van de opvang gelijkgesteld wordt aan een beschikking.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de verstrekkingen op grond van de onherroepelijke uitspraak en de Regeling verstrekkingen asielzoekers 2005 rechtmatig zijn beëindigd. Het feit dat de termijn voor hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak nog niet was verstreken, verplicht de verweerder niet tot voortzetting van de verstrekkingen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de beëindiging van opvang en verstrekkingen wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 21/4816
V-nummer: [Nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[Naam], verzoeker,

(gemachtigde: mr. drs. E.A.A. Charry),
en

het bestuur van het Centraal orgaan Opvang Asielzoekers (COa), verweerder,

(gemachtigde: mr. J. Meijer).

Procesverloop

Verweerder heeft de opvang en voorzieningen van het COa voor eiser op 4 augustus 2021 beëindigd.
Verzoeker heeft tegen de feitelijke beëindiging van de opvang en voorzieningen beroep ingesteld, dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 21/4815. Op 13 augustus 2021 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft op 13 augustus 2020 een verweerschrift ingediend per e-mail.
Verzoeker heeft hierop bij fax gereageerd op 15 augustus 2021. Op 16 augustus 2021 heeft verweerder hierop bij fax aanvullend gereageerd.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Verzoeker heeft op 12 juni 2021 een asielaanvraag in Nederland ingediend. Bij besluit van 24 juni 2021 is deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, waarbij aan verzoeker tevens een inreisverbod voor de duur van twee jaar is opgelegd. Bij uitspraak van 3 augustus 2021, van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam [1] is het daartegen ingestelde beroep kennelijk ongegrond verklaard. Tevens is het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. Het besluit van 24 juni 2021 is daarmee onherroepelijk.
2. Verweerder heeft op 4 augustus 2021 de verstrekkingen van verzoeker beëindigd en verzoeker opgedragen de asielopvang te verlaten. Verzoeker heeft daartegen beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat verweerder hem opvang en voorzieningen aanbiedt totdat op het beroep is beslist.
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er sprake is van onverwijlde spoed, omdat de opvang van verzoeker op 4 augustus 2021 is beëindigd.
4. De voorzieningenrechter beoordeelt bij een verzoek om een voorlopige voorziening hangende een beroepsprocedure of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de beroepszaak niet.
5. Op grond van artikel 5, tweede lid, van de Wet COa worden handelingen van het COa ten aanzien van een vreemdeling als zodanig die worden verricht in het kader van de beëindiging van verstrekkingen bij of krachtens deze wet, voor de toepassing van deze wet met een beschikking gelijkgesteld.
De bevoegdheid van de voorzieningenrechter
6. De voorzieningenrechter ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of hij bevoegd is van het verzoek kennis te nemen. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag bevestigend, nu het beroep waarop het verzoek betrekking heeft zich richt tegen de feitelijke beëindiging van de opvang met ingang van 4 augustus 2021. Een dergelijke handeling staat ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Wet COa gelijk aan een beschikking waartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.
De inhoudelijke beoordeling van het verzoek
7. Verzoeker voert aan dat hij, zolang de termijn voor het instellen van hoger beroep bij de Afdeling openstond, recht had op opvang en voorzieningen zodat zijn verwijdering uit de opvang op 4 augustus 2021 achterwege had moeten blijven.
8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, bij uitspraak van 3 augustus 2021 het beroep van eiser tegen het asielbesluit kennelijk ongegrond heeft verklaard en het - met het beroep samenhangende - verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft afgewezen. De verstrekkingen zijn op 4 augustus 2021 van rechtswege beëindigd, op grond van de meeromvattende beschikking van 24 juni 2021. Verder stelt verweerder dat verzoeker geen hoger beroep heeft ingesteld bij de Afdeling en dat de beroepstermijn inmiddels is verstreken.
9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het recht op verstrekkingen van rechtswege is geëindigd door de meeromvattende beschikking van 24 juni 2021 en de voornoemde uitspaak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 3 augustus 2021. Uit artikel 7, eerste lid, onder b, van de van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005, volgt dat de opvangvoorzieningen in dat geval kunnen worden beëindigd op de dag na de dag waarop de vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is geworden. Verweerder heeft daarom op 4 augustus 2021 het bieden van verstrekkingen aan verzoeker kunnen staken. Dat op dat moment de termijn voor het instellen van hoger beroep bij de Afdeling nog niet was verstreken, maakt niet dat verweerder gehouden was om de verstrekkingen te continueren.
10. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
11. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier, op 16 augustus 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
griffier
De voorzieningenrechter is verhinderd om deze uitspraak mede te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.