ECLI:NL:RBDHA:2021:8983
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorlopige ondertoezichtstelling minderjarige en afwijzing machtiging uithuisplaatsing
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling van een minderjarige die met ernstig letsel in het ziekenhuis was opgenomen, waarbij vermoed werd dat het letsel niet accidenteel was. De kinderrechter stelde de minderjarige voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland van 2 augustus tot 19 oktober 2021.
De grootvader van vaderszijde voerde namens de ouders aan dat het letsel waarschijnlijk bij de geboorte was ontstaan door het gebruik van een vacuümpomp en dat het ziekenhuis onvoldoende onderzoek had gedaan. De ouders wilden dat de recherche ook het ziekenhuis zou onderzoeken en dat de minderjarige snel terug naar huis zou worden geplaatst.
De kinderrechter oordeelde dat het dringend noodzakelijk was de minderjarige voorlopig onder toezicht te stellen om de situatie te monitoren en de opvoedvaardigheden van de ouders te beoordelen. Echter, de gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing waren onvoldoende aanwezig, omdat geen onveilige thuissituatie was vastgesteld en het letsel mogelijk bij de geboorte was ontstaan.
Daarom werd het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing afgewezen, terwijl de voorlopige ondertoezichtstelling werd bevestigd. De beschikking werd mondeling gegeven op 29 juli 2021 en schriftelijk vastgesteld op 6 augustus 2021.
Uitkomst: De minderjarige wordt voorlopig onder toezicht gesteld, maar het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen.