ECLI:NL:RBDHA:2021:8948
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visum kort verblijf wegens onvoldoende familierechtelijke relatie en sociale binding
Eiser, van Ghanese nationaliteit, vroeg een visum voor kort verblijf aan om familie te bezoeken, waarbij hij stelde dat referente zijn moeder is. De minister wees de aanvraag af omdat eiser de familierechtelijke relatie niet met objectief bewijs had onderbouwd, mede vanwege het overleggen van een tardieve geboorteakte die minder betrouwbaar wordt geacht. Eiser had nagelaten een origineel WAEC-certificaat te overleggen, waardoor zijn identiteit niet kon worden geverifieerd.
Daarnaast was er onvoldoende sociale en economische binding met Ghana aangetoond. Eiser had een foto van een vriendin overgelegd, wat onvoldoende was om een duurzame relatie aan te tonen. Zijn familie woont grotendeels in Nederland en Engeland, wat zijn binding met die landen versterkt. Ook had hij geen bewijs geleverd van een structureel inkomen, ondanks zijn stelling dat hij als lasser werkzaam is.
Verder kon eiser niet aantonen dat hij voldoende financiële middelen had om in zijn levensonderhoud te voorzien tijdens het verblijf of om de reis te bekostigen. De referente, die een uitkering ontvangt, kon niet garant staan en de broer in Engeland kon volgens de minister niet garant staan omdat alleen in Nederland woonachtige personen dat kunnen.
Ten slotte wees de rechtbank het beroep af omdat het familiebezoek niet viel onder de uitzonderingscategorieën van de Covid-19 reisbeperkingen. Het beroep op zwaarwegende redenen werd niet aanvaard omdat ziekte of stervenssituaties niet waren gesteld of gebleken. De rechtbank constateerde een motiveringsgebrek over de aangeboden waarborgen, maar dit leidde niet tot schending van de hoorplicht of tot een ander besluit. Het beroep werd ongegrond verklaard en er is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum voor kort verblijf wordt ongegrond verklaard.