ECLI:NL:RBDHA:2021:8899

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 augustus 2021
Publicatiedatum
16 augustus 2021
Zaaknummer
NL21.4835
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 SchengengrenscodeVerordening (EU) 2016/399Richtlijn 2004/38/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugkeerbesluit en inreisverbod wegens overschrijding vrije termijn verblijf EU

Eiser, van Albanese nationaliteit, reisde op 25 juli 2020 de EU binnen en verbleef tot 13 december 2020 in verschillende lidstaten. Na een verblijf in het Verenigd Koninkrijk keerde hij op 16 januari 2021 terug naar de EU. Verweerder legde op 28 maart 2021 een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar op wegens overschrijding van de vrije verblijfsperiode van 90 dagen binnen 180 dagen.

Eiser voerde aan dat hij binnen zijn vrije termijn verbleef en dat hij een afgeleid verblijfsrecht zou hebben als echtgenoot van een EU-burger die in België verbleef. De rechtbank stelde vast dat eiser de vrije termijn ruimschoots had overschreden en dat niet was gebleken dat hij zich daadwerkelijk bij zijn echtgenote had gevoegd, zodat geen afgeleid verblijfsrecht bestond.

Ook het gestelde rechtmatig verblijf in het VK kon niet leiden tot een rechtmatig verblijf in de EU. De rechtbank wees het beroep af en bevestigde het terugkeerbesluit en het inreisverbod. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod wegens overschrijding van de vrije verblijfsperiode in de EU wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.4835

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H. Tadema),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. P. Kaya).

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2021 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden
1. Eiser stelt van Albanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum]. Eiser is op 25 juli 2020 de Europese Unie (EU) ingereisd. Hij is op 28 maart 2021 opgehouden door de Duitse autoriteiten en overgenomen door de Nederlandse autoriteiten. Eiser is op 28 maart 2021 voorafgaand aan het opleggen van het bestreden besluit gehoord.

Bestreden besluit

2. Verweerder heeft aan eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen, en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd, omdat eiser de vrije termijn met meer dan drie dagen heeft overschreden.
3. In het gehoor heeft eiser verklaard dat hij sinds 25 juli 2020 onder andere in Duitsland, Italië, België en het Verenigd Koninkrijk (VK) heeft verbleven. Ook heeft eiser verklaard dat hij getrouwd is met een vrouw van Roemeense nationaliteit die tot voor kort in België verbleef. Eiser heeft verder verklaard dat hij heeft geprobeerd om papieren te regelen in het VK maar dat dat niet is gelukt, en dat hij geen verblijfsvergunning heeft in een land in de EU.
Overschrijding vrije termijn
4. Eiser voert aan dat verweerder van het opleggen van het bestreden besluit had moeten afzien, omdat eiser de vrije termijn niet heeft overschreden. Uit paspoortstempels blijkt dat hij op 13 december 2020 via de Kanaaltunnel de EU is uitgereisd naar het VK, dat hij tot 16 januari 2021 in het VK heeft verbleven, en die dag weer de EU in is gereisd. Omdat het VK geen deel meer uitmaakt van de EU en op 28 maart 2021, de datum van het bestreden besluit, nog geen 90 dagen waren verstreken sinds zijn inreis op 16 januari 2021, zat eiser nog in zijn vrije termijn.
5. Op grond van artikel 6, eerste lid van de Schengengrenscode [1] - voor zover hier van belang - mogen onderdanen van derde landen (onder voorwaarden) verblijven op het grondgebied van de lidstaten gedurende ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen, waarbij voor iedere dag van het verblijf de 180 voorafgaande dagen in aanmerking worden genomen.
6. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser op 25 juli 2020 de EU is ingereisd en dat hij in de EU heeft verbleven tot hij op 13 december 2020 naar het VK is gegaan. Verder heeft eiser verklaard dat hij op 16 januari 2021 vanuit het VK opnieuw de EU in is gereisd.
7. Voor de vraag wat op 28 maart 2021 (de datum waarop het besteden besluit werd genomen) de verblijfsrechtelijke status van eiser was, is bepalend of hij op 16 januari 2021 (de datum waarop eiser vanuit het VK de EU voor de tweede keer inreisde) in de daaraan voorafgaande 179 dagen al 90 dagen al dan niet aaneengesloten op het gebied van de lidstaten heeft verbleven. Dat is ruimschoots het geval. Verweerder heeft daarom terecht vastgesteld dat eiser op 28 maart 2021 geen verblijf in de vrije termijn had. De rechtbank ziet dan ook geen reden om, zoals ter zitting verzocht, de zaak aan te houden zodat eiser nadere informatie over kan leggen. De beroepsgrond slaagt niet.
Afgeleid verblijfsrecht van echtgenote
8. Eiser voert aan dat hij ten tijde van het bestreden besluit rechtmatig verblijf had. Hij is namelijk de echtgenoot van een EU-burger die gebruik heeft gemaakt van haar recht op vrij verkeer, nu zijn echtgenote van Roemeense nationaliteit is en in België heeft verbleven. Eiser heeft ter onderbouwing een huwelijksakte en een kopie van het Belgische verblijfsdocument van zijn echtgenote overgelegd.
9. De rechtbank overweegt dat eiser mogelijk een afgeleid verblijfsrecht zou kunnen ontlenen aan zijn Roemeense echtgenote, een EU-burger die gebruik heeft gemaakt van haar recht op vrij verkeer. De Verblijfsrichtlijn [2] is van toepassing op familieleden van een dergelijke EUburger die zich bij de EU-burger voegen. Verweerder heeft niet betwist dat eiser is gehuwd met zijn echtgenote en dat zijn echtgenote in België heeft verbleven, maar niet is gebleken dat eiser zich bij haar heeft gevoegd. Uit navraag van verweerder bij de Belgische autoriteiten is immers gebleken dat eiser in het geheel niet bekend is in België. Daarom kan niet worden vastgesteld dat eiser een afgeleid verblijfsrecht van zijn echtgenote heeft. De beroepsgrond slaagt niet.
Verblijfsrecht in Verenigd Koninkrijk
10. Eiser voert aan dat hij ten tijde van het bestreden besluit rechtmatig verblijf in het VK had, omdat aan hem een pre-settlement status is verleend op 28 maart 2021. Eiser wijst op de in beroep overgelegde brief van het Home Office en op de kopie van zijn verblijfspas.
10. De rechtbank overweegt dat eiser met de door hem overgelegde stukken mogelijk zou kunnen aantonen dat hij een verblijfsstatus heeft in het VK, maar dat het VK is uitgezonderd van de werking van het aan eiser opgelegde inreisverbod. Uit de overgelegde stukken kan niet blijken dat eiser door zijn (gestelde) verblijfsrecht in het VK rechtmatig verblijf had in de EU. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

12. Het beroep is ongegrond. Verweerder heeft aan eiser terecht een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.M.J. Bouwman, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Diele, griffier.
De uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op de hieronder vermelde datum.
De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (codificatie).
2.Richtlijn 2004/38/EG.