Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2021:8719

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juli 2021
Publicatiedatum
9 augustus 2021
Zaaknummer
19/5763
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 Nadere regels sociaal domein Alphen aan den RijnArt. 42 lid 4 Nadere regels sociaal domein Alphen aan den RijnArt. 45 lid 4 Nadere regels sociaal domein Alphen aan den RijnParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling draagkrachtberekening bijzondere bijstand voor kosten bewindvoering

Eiser ontvangt samen met zijn echtgenote een uitkering op grond van de Participatiewet en staat onder bewind. Verweerder kende bijzondere bijstand toe voor de kosten van bewindvoering, maar hield bij de draagkrachtberekening rekening met een maandelijkse vergoeding van € 625,- die eiser ontvangt van F.C. Zoetermeer. Eiser betwist dat deze vergoeding als inkomen moet worden beschouwd, omdat het reis- en onkostenvergoedingen zijn en hij deelneemt aan schuldhulpverlening.

De rechtbank stelt vast dat de toepasselijke bepalingen in de Nadere regels sociaal domein niet van toepassing zijn op bijzondere bijstand voor kosten van bewindvoering. Daarnaast heeft eiser onvoldoende onderbouwd dat de vergoedingen daadwerkelijk onkostenvergoedingen zijn, mede omdat hij gevraagde specificaties en bewijsstukken niet heeft overlegd.

De rechtbank oordeelt dat verweerder binnen zijn beleidsvrijheid heeft gehandeld en dat het redelijk is om de € 625,- als inkomen mee te rekenen bij de draagkrachtberekening. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard; de draagkrachtberekening waarbij de € 625,- als inkomen is meegeteld, is niet onredelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 19/5763

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2021 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: F. Elidrissi),
en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, verweerder

(gemachtigde: A.M. de Jong).

Procesverloop

In het besluit van 29 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser en zijn echtgenote [echtgenote] voor de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 bijzondere bijstand ingevolge de Participatiewet (Pw) toegekend ter grootte van € 55,34 per maand voor de kosten van bewindvoering.
In het besluit van 22 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Vanwege de maatregelen rond het coronavirus heeft de rechtbank partijen om toestemming gevraagd om dit beroep op basis van de stukken (en dus zonder zitting) af te doen. Beide partijen hebben hiervoor toestemming gegeven. Vervolgens heeft de rechtbank partijen bericht dat het onderzoek is gesloten en dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1
Eiser ontvangt samen met zijn echtgenote sinds enige tijd een uitkering op grond van de Pw. Hij staat samen met zijn partner [echtgenote] sinds 7 juli 2017 onder bewind. Verweerder heeft hem (en zijn echtgenote) voor de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering toegewezen ter grootte van € 55,34 per maand. Verweerder heeft bij de vaststelling van dat bedrag ermee rekening gehouden dat eiser een draagkrachtruimte heeft van € 348,05 per maand. Van dat bedrag kan eiser 35 % inzetten voor het betalen van kosten.
Verweerders berekening ziet er als volgt uit:
Uitkering: € 2.209,--
Overige inkomsten: € 625,--
af buitengewone lasten:
€ 954,95-/-
inkomen voor draagkrachtberekening: € 1.879,05
af 110 % van de bijstandsnorm:
€ 1.531,---/-
Draagkrachtruimte: € 348,05
Draagkracht (35 % x € 348,05): € 121,82
2. Verweerder heeft het primaire besluit na heroverweging gehandhaafd. Het bestreden besluit berust op verweerders standpunt dat eiser voldoende inkomen heeft om een deel van de kosten voor bewind zelf te dragen. Het door eiser van F.C. Zoetermeer ontvangen bedrag van € 625,- per maand, zijnde volgens eiser vaste reis- en onkostenvergoedingen, heeft verweerder als inkomen aangemerkt. Eiser heeft volgens verweerder namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij dit bedrag daadwerkelijk als vergoeding voor gemaakte reis- en onkosten heeft ontvangen. Dat eisers werkzaamheden voor F.C. Zoetermeer en Sparta op geld waardeerbare activiteiten zijn, heeft vanwege het verbod van reformatio in peïus, bij het bestreden besluit verder geen rol gespeeld. Verweerder is het verder niet eens met eiser dat deze geen draagkracht heeft, omdat hij deelneemt aan een vrijwillig traject van schuldhulpbemiddeling. Evenmin deelt verweerder eisers mening dat hij eisers inkomen op grond van artikel 42, vierde lid, en artikel 45, vierde lid, van de Nadere regels sociaal domein Alphen aan den Rijn (de Nadere regels) gelijk zou moeten stellen aan de bijstandsnorm. Verweerder vindt dat die bepalingen niet van toepassing zijn op bijzondere bijstand voor kosten van bewindvoering.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte de door hem ontvangen vergoedingen van F.C. Zoetermeer van € 625,- per maand als inkomen beschouwd en in aanmerking genomen bij de draagkrachtberekening. Eiser krijgt voor zijn activiteiten als voetbaltrainer namelijk een reis- en een onkostenvergoeding. Dat staat in zijn arbeidsovereenkomst. Eiser betwist dat dit verkapte inkomsten zijn. De Belastingdienst merkt deze vergoedingen evenmin als zodanig aan. Ook al zou deze vergoeding als inkomen moeten worden gezien, dan nog heeft eiser geen draagkracht. Hij is namelijk toegelaten tot de schuldhulpverlening en daarom moet zijn inkomen op grond van artikel 42, vierde lid, en artikel 45, vierde lid, van de Nadere regels gelijk worden gesteld met de voor hem en zijn echtgenote geldende bijstandsnorm.
4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling van het beroep.
4.1
Dat eiser aanspraak heeft op bijzondere bijstand voor de kosten voor de bewindvoering staat tussen partijen niet ter discussie. Partijen zijn het er echter niet over eens of eiser gelet op diens draagkracht een deel van die kosten zelf zou moeten dragen. Verweerder heeft bij de berekening van eisers draagkracht de maandelijkse onkostenvergoeding van € 625,- als inkomen meegenomen. De vraag is of verweerder dit terecht heeft gedaan.
4.2
In de Nadere regels is geregeld hoe de draagkrachtruimte wordt berekend. Op grond van artikel 35, onder 1, van de Nadere regels wordt bij de berekening van de draagkracht uitgegaan van het netto inkomen (exclusief vakantietoeslag).
4.3
Eiser is van mening dat hij geen draagkracht heeft, omdat hij is toegelaten tot de schuldhulpverlening. Dat standpunt berust op het bepaalde in artikel 42, vierde lid, en artikel 45, vierde lid, van de Nadere regels. Volgens deze bepalingen wordt bij het vaststellen van de draagkracht in het kader van de in die bepalingen genoemde aanvragen voor bijzondere bijstand slechts rekening gehouden met de voor betrokkenen geldende bijstandsnorm, wanneer zij deelnemen aan een traject van minnelijke schuldhulpbemiddeling of wettelijke schuldsanering. Dit ongeacht of hun werkelijke inkomen hoger is of niet.
4.4
Daargelaten of eiser op het moment van de aanvraag daadwerkelijk deelneemt aan een traject, zoals hiervoor bedoeld, bieden de genoemde bepalingen in zijn situatie naar het oordeel van de rechtbank geen soelaas. Artikel 42 ziet Pro namelijk op bijdragen voor duurzame gebruiksgoederen en artikel 45 ziet Pro op deelname aan een collectieve zorgverzekering c.q. bijzondere bijstand voor zorgkosten. Eisers aanvraag betreft echter de kosten van bewindvoering. Daar gaan de door eiser genoemde bepalingen niet over.
4.5
Dat brengt de rechtbank bij de vraag of verweerder het maandelijks door eiser ontvangen bedrag van € 625,- terecht als inkomen heeft aangemerkt bij de vaststelling van eisers draagkracht. Verweerder komt ,een zekere beoordelingsvrijheid toe, die hij heeft uitgewerkt in de Nadere regels. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met deze regels de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten is gegaan.
4.6
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser zowel in bezwaar als in beroep geen duidelijkheid gegeven over de ontvangst van de maandelijkse € 625,-. Hij heeft zijn reis- en onkosten immers niet nader gespecificeerd. De bankafschriften bevatten vermeldingen als: "reis en onkostenvergoeding zaterdag 1" en "onkostenvergoeding" of "nabetaling reiskosten". Dit is onvoldoende concreet om vast te kunnen stellen dat het bij deze betalingen daadwerkelijk om onkostenvergoedingen gaat. De rechtbank neemt daarbij uitdrukkelijk in aanmerking dat eiser op basis van de overeenkomst die hij had met F.C. Zoetermeer reiskostenoverzichten had moeten indienen. Verweerder heeft hem gevraagd deze over te leggen, maar dat heeft eiser geweigerd. Ook in beroep heeft eiser niets overgelegd op grond waarvan kan worden vastgesteld op welke kosten de onkostenvergoeding precies betrekking heeft en of eiser deze kosten ook daadwerkelijk heeft gemaakt. De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat het onder de gegeven omstandigheden niet als onredelijk is aan te merken dat verweerder bij de berekening van de draagkracht de ontvangen bedragen van € 625,- in aanmerking heeft genomen als inkomen waarover eiser kan beschikken. De rechtbank merkt in dit licht ten overvloede nog op dat dit anders zou zijn geweest, indien verweerder deze ontvangsten al als inkomen in mindering zou hebben gebracht op eisers bijstandsuitkering. Dan zou hij niet daarover hebben kunnen beschikken en geen inkomen boven de voor hem geldende norm hebben gehad. Dat heeft verweerder echter niet gedaan.
4.7
De rechtbank ziet geen aanleiding dat verweerder met zijn berekening van eisers draagkracht niet in overeenstemming met de Nadere regels heeft gehandeld.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O.M. Harms, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2021.
Griffier
rechter
De griffier is niet in de gelegenheid
deze tussenuitspraak mede te
ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.