ECLI:NL:RBDHA:2021:8717
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid
Eiseres was sinds oktober 2019 in dienst bij een werkgever met een tijdelijk contract en nam op eigen verzoek ontslag per 1 april 2020. Zij vroeg een WW-uitkering aan, maar deze werd geweigerd omdat zij verwijtbaar werkloos werd geacht. De werkgever en het UWV stelden dat er geen acute noodzaak was voor ontslag en dat eiseres geen bedrijfsarts heeft geraadpleegd, waardoor kansen op re-integratie zijn gemist.
Eiseres voerde aan dat zij vanwege knieklachten moest stoppen en dat zij al twee banen had gevonden voor minder uren, maar dat deze door de coronacrisis niet doorgingen. De rechtbank oordeelde dat de medische informatie onvoldoende was om een acute noodzaak aan te tonen en dat zij geen reëel vooruitzicht had op een nieuwe baan toen zij ontslag nam. Jurisprudentie vereist dat er een reëel vooruitzicht moet zijn op een dienstverband van minimaal 26 weken van vergelijkbare omvang.
De rechtbank concludeerde dat eiseres verwijtbaar werkloos is geworden en daarom geen recht heeft op uitbetaling van de WW-uitkering vanaf 1 april 2020. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de WW-uitkering wordt niet uitbetaald wegens verwijtbare werkloosheid.