ECLI:NL:RBDHA:2021:8647
Rechtbank Den Haag
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Beklag tegen inhouding rijbewijs zonder daadwerkelijke invordering verworpen
De klager heeft bij de rechtbank een beklag ingediend tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie om zijn rijbewijs onder zich te houden. Hij stelde dat het rijbewijs teruggegeven moest worden omdat het OM niet binnen de wettelijke termijn van tien dagen een beslissing had genomen over de inhouding.
De officier van justitie voerde aan dat het rijbewijs niet daadwerkelijk was ingeleverd door de klager, waardoor er geen sprake was van een ingevorderd rijbewijs in de zin van artikel 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). De termijn van tien dagen gaat pas lopen na daadwerkelijke inlevering, wat hier niet is gebeurd. Tevens was er sprake van recidive en een eerdere voorwaardelijke rijontzegging.
De rechtbank oordeelde dat het beklag ongegrond is omdat de wettelijke termijn niet van toepassing is zonder daadwerkelijke invordering. De rechtbank verwees naar een eerdere uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter ondersteuning van dit standpunt.
De beslissing werd op 6 juli 2021 in het openbaar uitgesproken door rechter S.M. van der Schenk. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad binnen veertien dagen na betekening.
Uitkomst: Het beklag tegen de inhouding van het rijbewijs wordt ongegrond verklaard omdat het rijbewijs niet daadwerkelijk is ingeleverd.