7.2Verweerder heeft, desgevraagd, in beroep niet gereageerd op dit standpunt van eiser. Nu dit standpunt de e-mail van mevrouw [B] gemotiveerd weerspreekt, zal de rechtbank er, als onvoldoende weersproken, vanuit gaan dat bij eiser in de communicatie inderdaad verwarring is ontstaan. Hiervan uitgaande heeft naar het oordeel van de rechtbank evenwel nog steeds te gelden dat onder de gegeven omstandigheden geen situatie is ontstaan dat hem geen enkel verwijt treft. Zij wijst erop dat ‘ [A] ’ niet ‘slechts een collega’ was, maar één van de twee personen die bij het tweede gesprek aanwezig was en daarmee een serieus contactpersoon wiens woord hij op waarde diende te schatten. Tevens is naar het oordeel van de rechtbank onduidelijk gebleven waarom eiser niet heeft geacteerd naar aanleiding van het telefoongesprek met ‘ [A] ’ op 21 maart 2019, zoals in de hoorzitting benoemd. In aanmerking genomen de verplichting tot het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid en hetgeen met eiser daaromtrent blijkens het dossier is besproken, acht de rechtbank het, onder de gegeven omstandigheden, niet verschijnen op 21 maart 2019, noch daarna, daarom weldegelijk verwijtbaar. Gelet op de door de rechtbank als vast staand aangenomen communicatieve verwarring, past evenwel een maategel van 100% verlaging niet. Het bestreden besluit is, onder die omstandigheden, naar het oordeel van de rechtbank aldus niet deugdelijk gemotiveerd.
8. Gelet op het voorgaande komt het bestreden besluit dus voor vernietiging in aanmerking vanwege strijdigheid met artikel 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is dan ook gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover verweerder daarbij aan eiser een maatregel van 100% verlaging van de uitkering heeft opgelegd. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen en de maatregel opnieuw vast te stellen. In aanmerking genomen de aard van de gedraging en de door eiser genoemde omstandigheden komt de rechtbank een maatregel in de vorm van een verlaging van de bijstandsuitkering vanaf 1 juni 2019, met 30% gedurende een maand, als passend voor.
9. De rechtbank ziet tevens aanleiding zelf in de zaak te voorzien door alsnog te beslissen op het verzoek om een proceskostenvergoeding in bezwaar. Gelet op de herroeping van de primaire besluit ziet de rechtbank aanleiding een vergoeding toe te kennen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).
10. De rechtbank veroordeelt verweerder tevens in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1). Tevens draagt de rechtbank verweerder op om de betaalde griffiekosten aan eiser te vergoeden.