Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2021 de zaak tussen
,eiser/verzoeker
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft meerdere aanvragen gedaan voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet vanwege medische omstandigheden, waaronder nierinsufficiëntie en hypertensie. Deze aanvragen zijn telkens afgewezen, waarbij de rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerdere beroepen ongegrond verklaarden.
Na zijn uitzetting naar Armenië in mei 2019 diende eiser opnieuw een aanvraag in, die werd afgewezen op basis van eerdere BMA-adviezen uit 2018 en 2019. Eiser stelde dat de corona-uitbraak en de verslechterde medische situatie in Armenië een nieuwe beoordeling vereisten, maar de rechtbank oordeelde dat het reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken onvoldoende was om de beschikbaarheid van noodzakelijke medische zorg te betwijfelen.
De rechtbank concludeerde dat de medische behandeling voor de bekende aandoeningen in Armenië beschikbaar is en dat de situatie rondom corona geen individuele medische reden vormt om uitstel van vertrek te verlenen. Ook was er geen noodzaak voor een nieuw BMA-advies, omdat er geen nieuwe medische feiten waren aangevoerd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het uitstel van vertrek wordt ongegrond verklaard.