ECLI:NL:RBDHA:2021:8419
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking voorlopige voorziening wegens weigering PCR-test bij overdracht naar Spanje
Verzoekster maakte bezwaar tegen haar voorgenomen feitelijke overdracht naar Spanje en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Verweerder annuleerde de overdracht omdat verzoekster weigerde mee te werken aan een vereiste PCR-test in het kader van COVID-19-maatregelen. Hierdoor trok verzoekster haar verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht zij de voorzieningenrechter om verweerder te veroordelen in de proceskosten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de annulering van de overdracht niet kan worden gezien als een geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan verzoekster, zoals bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. De intrekking berustte op nieuwe feiten en veranderde omstandigheden, namelijk de weigering van de PCR-test, en niet op een erkenning van onrechtmatigheid van de voorgenomen overdracht.
Daarom was er geen grond om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekster. Het verzoek werd afgewezen. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om veroordeling van verweerder in de proceskosten wordt afgewezen omdat de annulering van de overdracht niet neerkomt op een erkenning van onrechtmatigheid.