ECLI:NL:RBDHA:2021:8354
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen intrekking verblijfsvergunning en weigering voortgezet verblijf wegens gezinsleven in Dominicaanse Republiek
Eiseres, van Dominicaanse nationaliteit, kreeg in 2015 een verblijfsvergunning voor verblijf als gezinslid bij een familielid in Nederland, geldig tot maart 2020. In 2020 vroeg zij wijziging van deze vergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden, maar de Staatssecretaris trok de vergunning met terugwerkende kracht in en wees de aanvraag af. Hiertegen stelde eiseres bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna zij beroep instelde.
De rechtbank beperkte het geschil tot het gezinsleven met haar zoon, die rechtmatig in Nederland verblijft. De Staatssecretaris stelde dat het belang bij weigering van verblijf zwaarder weegt dan het belang van eiseres om in Nederland met haar zoon te wonen. De rechtbank oordeelde dat er geen objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in de Dominicaanse Republiek voort te zetten, mede omdat beiden de Dominicaanse nationaliteit hebben, er sterke sociale en familiale banden zijn, en voldoende medische zorg beschikbaar is.
De rechtbank stelde vast dat eiseres geen beschermenswaardig privéleven in Nederland heeft, omdat haar banden hier niet verder gaan dan gebruikelijk voor iemand die zes jaar in Nederland woont. Ook werd geoordeeld dat de belangen van de minderjarige zoon voldoende zijn meegewogen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.