ECLI:NL:RBDHA:2021:8326

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 mei 2021
Publicatiedatum
30 juli 2021
Zaaknummer
NL21.6842
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 96 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding

Eiser, van Guinese nationaliteit, is sinds februari 2021 in vreemdelingenbewaring. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en baseert zich op het dossier en eerdere uitspraak van 20 april 2021.

Eiser stelt dat hij meewerkt aan zijn uitzetting en contact heeft gezocht met de consul van Guinee en het Rode Kruis, maar verweerder betwist dat eiser voldoende medewerking verleent. Verweerder voert aan dat hij periodiek rappelleert bij de Guinese autoriteiten en onderzoek doet naar identiteit en nationaliteit.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende medewerking verleent, mede omdat hij zich niet wenst in te schrijven bij de Internationale Organisatie voor Migratie. Ook zijn enkele stellingen over contact met consul en Rode Kruis zijn onvoldoende. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die een andere beoordeling rechtvaardigen.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.6842
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. S. Akkas),

en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: M. Lorier).

Procesverloop

Verweerder heeft op 5 februari 2021 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Verweerder heeft ook een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Guinese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1997].
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 20 april 2021 (in de zaak NL21.5313) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt
aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering. Eiser bevindt zich al ruim drie maanden in vreemdelingenbewaring. Eiser heeft diverse keren aangegeven dat hij meewerkt aan zijn uitzetting naar Guinee. Hij heeft in dat kader contact gezocht met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), het Rode Kruis en met de consul van Guinee. Gelet hierop had verweerder op dossierniveau moeten rappelleren bij de autoriteiten van Guinee. Verweerder heeft dit niet gedaan en handelt daardoor onvoldoende voortvarend aan zijn uitzetting, aldus eiser.
5. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat niet is gebleken dat eiser daadwerkelijk invulling geeft aan zijn medewerkingsplicht. In het vertrekgesprek van
23 april 2021 verklaart eiser weliswaar dat hij zo spoedig terug wil keren naar Guinee, maar ook dat hij zich niet wenst in te schrijven bij de IOM. Met betrekking tot het gestelde contact met het Rode Kruis en de consul verklaart eiser te hebben gebeld, maar geen contact te hebben gekregen. Verweerder stelt dat hij voldoende voortvarend handelt, door periodiek schriftelijk te rappelleren bij de Guinese autoriteiten en door onderzoek te doen naar de identiteit en nationaliteit van eiser. Daarbij wijst verweerder erop dat vertrek niet alleen met een laissez passer kan plaatsvinden, maar ook met een paspoort dat eiser kan opvragen bij de autoriteiten van Guinee.
7. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. De rechtbank verwijst hieromtrent allereerst naar haar eerdere uitspraak van 20 april 2021 (in de zaak NL21.5313), rechtsoverweging 5. Daaraan voegt de rechtbank toe dat verweerder op 23 april 2021 een vertrekgesprek heeft gevoerd met eiser. Op eiser rust de rechtsplicht Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer mee dat hij actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting dient te verlenen. Eisers enkele stelling dat hij getracht heeft om contact op te nemen met de consul van Guinee en het Rode Kruis is daartoe onvoldoende. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat eiser de vereiste mate van medewerking verleent. Eiser heeft verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat verweerder bij de huidige stand van zaken op dossierniveau had moeten rappelleren bij de Guinese autoriteiten.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken op
17 mei 2021
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.