Eiseres, een Turkse nationaliteit hebbende vreemdeling, diende op 4 februari 2021 een asielaanvraag in Nederland in. Uit Eurodac bleek dat zij eerder een asielverzoek in Oostenrijk had ingediend, dat zij schriftelijk had ingetrokken voordat de procedure tot vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat was afgerond. De staatssecretaris weigerde haar aanvraag te behandelen omdat Oostenrijk volgens hem verantwoordelijk was, mede omdat de termijn van drie maanden uit artikel 21, eerste lid, Dublinverordening was verstreken.
De rechtbank stelt vast dat de situatie van eiseres valt onder artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening, die ziet op situaties waarin een asielzoeker zijn verzoek in de eerste lidstaat intrekt tijdens de procedure tot bepaling van de verantwoordelijke lidstaat. De staatssecretaris heeft dit onjuist beoordeeld door te stellen dat deze situatie niet meer van toepassing was.
De rechtbank volgt de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het arrest H. en R. van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarin is bepaald dat in dergelijke gevallen de vreemdeling in de tweede lidstaat wel een beroep kan doen op hoofdstuk III-criteria, waaronder artikel 9. Het standpunt van de staatssecretaris zou ertoe leiden dat de procedure onzorgvuldig is voorbereid en dat eiseres geen effectief beroep kan doen op de Dublincriteria.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt de staatssecretaris op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens worden de proceskosten van eiseres aan haar toegekend.