In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 22 juli 2021 uitspraak gedaan in een asielprocedure waarbij de eiser, een Nigeriaanse nationaliteit, zijn asielaanvraag in Nederland had ingediend. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, als verweerder, had de aanvraag niet in behandeling genomen op basis van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet, omdat Duitsland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van de aanvraag. Dit was gebaseerd op eerdere asielverzoeken van de eiser in Duitsland, waar hij op 14 januari 2020 was teruggenomen op verzoek van de Duitse autoriteiten.
De eiser voerde aan dat de verweerder ten onrechte geen toepassing had gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, en dat hij in Duitsland was bedreigd en racistisch was bejegend. Hij stelde dat zijn psychische klachten, die voortkwamen uit zijn ervaringen in Duitsland, een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand met zich meebrachten. De rechtbank oordeelde echter dat de eiser niet had aangetoond dat Duitsland niet in staat zou zijn om hem adequate bescherming te bieden en dat hij zijn psychische klachten niet voldoende had onderbouwd met medische documenten.
De rechtbank concludeerde dat de eiser niet had aangetoond dat er sprake was van structurele tekortkomingen in de asielprocedure in Duitsland en dat de stellingen van de eiser niet voldoende waren om de verantwoordelijkheid van Duitsland te betwisten. Het beroep van de eiser werd ongegrond verklaard, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd openbaar gemaakt via een geanonimiseerde publicatie op de website van de rechtspraak.