ECLI:NL:RBDHA:2021:8119
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering na medische en arbeidskundige beoordeling
Eiser, voormalig vrachtwagenchauffeur, ontving een Ziektewet-uitkering wegens voet-, heup- en knieklachten. Verweerder beëindigde deze uitkering per 20 april 2019, later herzien tot 20 september 2019 na bezwaar. Eiser stelde dat zijn beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld en betwistte de geschiktheid van de door arbeidsdeskundigen geduide functies.
De rechtbank heropende het onderzoek vanwege verschillen tussen rapporten van verzekeringsartsen in de ZW-procedure en de indicatie banenafspraak. Uit nadere rapporten bleek dat de verzekeringsartsen in de ZW-procedure eiser zelf onderzochten, terwijl de arts van de banenafspraak dat niet deed. De rechtbank hechtte daarom meer waarde aan de ZW-rapporten.
De arbeidsdeskundige had nieuwe functies geduid die passend zouden zijn, ondanks bezwaren van eiser over belastbaarheid en taalniveau. De rechtbank vond de motivering van de arbeidsdeskundige voldoende en volgde eiser hierin niet. Ook het maatmaninkomen was correct geïndexeerd.
Gelet op de medische en arbeidskundige rapporten concludeerde de rechtbank dat de beëindiging van de ZW-uitkering terecht was. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de beëindiging van de Ziektewet-uitkering per 20 september 2019.