ECLI:NL:RBDHA:2021:8058

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juli 2021
Publicatiedatum
26 juli 2021
Zaaknummer
AWB 21/1478
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 4:2 AwbArt. 4:84 AwbArt. 7:3 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning regulier tijdelijke humanitaire gronden na sepot mensenhandel

Eiser, een Nigeriaanse nationaliteit bezittende persoon, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd op tijdelijke humanitaire gronden, naar aanleiding van een aangifte mensenhandel. De staatssecretaris wees deze aanvraag af omdat het Openbaar Ministerie het strafrechtelijk onderzoek had geseponeerd wegens gebrek aan rechtsmacht en onvoldoende aanknopingspunten voor vervolging.

Eiser voerde aan dat hij slachtoffer is van mensenhandel en dat zijn situatie onvoldoende is betrokken in de besluitvorming. Ook stelde hij dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en dat hij ten onrechte niet is gehoord. De rechtbank oordeelde dat de afwijzing terecht en voldoende gemotiveerd was, omdat de verblijfsvergunning op grond van mensenhandel dient om medewerking aan strafvervolging mogelijk te maken en het strafrechtelijk onderzoek was beëindigd.

De rechtbank verwierp het betoog dat van het beleid afgeweken kon worden, omdat het relevante artikel van het Vreemdelingenbesluit een algemeen verbindend voorschrift is. Ook was het niet nodig eiser te horen omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 21/1478

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

v-nummer: [nummer]
(gemachtigde mr. I.M. Hagg)
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde mr. H.J. Metselaar)

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd voor het doel ‘tijdelijke humanitaire gronden’ ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2021. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten. Op 5 januari 2021 heeft verweerder de ambtshalve als aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘humanitair tijdelijk’ aangemerkte aangifte van mensenhandel afgewezen. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard.
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard omdat het OM [1] het strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van de aangifte van eiser van mensenhandel op 30 december 2020 heeft geseponeerd vanwege het ontbreken van rechtsmacht voor Nederland en vanwege het ontbreken van aanknopingspunten voor verder politieonderzoek. Het OM heeft daarmee vastgesteld dat de aanwezigheid van eiser in Nederland niet noodzakelijk wordt geacht in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel. [2] Er is volgens verweerder geen mogelijkheid om met toepassing van artikel 4:84 van Pro de Awb [3] rekening te houden met de eigen specifieke situatie van eiser en daarmee af te wijken van het beleid omdat artikel 3.48 van het Vb [4] geen beleid betreft maar een algemeen verbindend voorschrift. Verder kan eiser de opgevraagde informatie bij de Italiaanse autoriteiten inbrengen in zijn Dublin asielprocedure. Ten aanzien van de overweging dat een artikel 12 Sv Pro-procedure [5] wordt gestart overweegt verweerder dat tot op heden niet is gebleken dat eiser hiertoe is overgegaan.
3. Eiser voert aan dat hij slachtoffer is van mensenhandel en dat zijn situatie onvoldoende is betrokken in de procedure. Het enkele feit dat er te weinig aanknopingspunten waren om daadwerkelijk tot vervolging over te gaan maakt niet dat hij als slachtoffer van mensenhandel geen daadwerkelijke vrees heeft bij terugkeer naar Nigeria. Het besteden besluit is daarmee onvoldoende gemotiveerd en in strijd met artikel 3:2 en Pro 3:46 van de Awb. Van eiser kan verder niet verwacht worden dat hij bewijs overlegt om aan te tonen dat hij slachtoffer is geweest en nog steeds wordt bedreigd. Eiser beroept zich op artikel 4:2, tweede lid van de Awb. Tenslotte stelt eiser dat hij ten onrechte niet is gehoord.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser om een reguliere verblijfsvergunning terecht en voldoende gemotiveerd heeft afgewezen alsmede tot het bestreden besluit is gekomen. De verblijfsvergunning die op grond van een aangifte mensenhandel wordt verleend, dient de mogelijkheid om mee te werken aan strafvervolging. Of eiser slachtoffer is geworden van mensenhandel is voor de beoordeling van dit beroep niet relevant. Niet in geschil is dat het strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van de aangifte van eiser is geseponeerd. Gelet daarop voldoet hij niet aan de voorwaarde zoals gesteld in artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb.
5. Verweerder overweegt verder terecht dat afwijking van het bepaalde in artikel 3.48 van het Vb vanwege bijzondere omstandigheden niet mogelijk is nu dit artikel geen beleid betreft maar een algemeen verbindend voorschrift. Voor zover eiser (ook) heeft bedoeld te betogen dat verweerder van paragraaf B8/3.1 van de Vc 2000 had moeten afwijken, kan dit evenmin slagen omdat daarin wordt uitgegaan van de toepasselijkheid van artikel 3.48 van het Vb.
6. De rechtbank volgt eiser tot slot niet in zijn standpunt dat eiser had moeten worden gehoord. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan van het horen worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Gelet op het hiervoor overwogene bestond er redelijkerwijs geen twijfel over de conclusie dat het bezwaar van eiser ongegrond was, waardoor verweerder van het horen van eiser heeft kunnen afzien.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, op 21 juli 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Openbaar Ministerie
2.Op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en volgens het beleid van verweerder in hoofdstuk B8/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Vreemdelingenbesluit 2000.
5.Wetboek van Strafvordering.