ECLI:NL:RBDHA:2021:8048
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning mensenhandel Dublinclaimant op grond van nieuw beleid
De zaak betreft een Dublinclaimant die in Nederland aangifte deed van mensenhandel en een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘humanitair tijdelijk’ aanvroeg. Verweerder wees de aanvraag af op grond van het nieuwe beleid (WBV 2019/10), dat sinds 1 augustus 2019 geldt en inhoudt dat alleen een vergunning wordt verleend indien het Openbaar Ministerie (OM) heeft vastgesteld dat de aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland noodzakelijk is voor het strafrechtelijk onderzoek.
Eiser voerde aan dat hij vóór de inwerkingtreding van het nieuwe beleid had aangegeven aangifte te willen doen en dat het beleid in strijd is met Europese richtlijnen, waaronder de Richtlijnen 2011/36/EU en 2004/81/EG, en het arrest Rantsev. De rechtbank oordeelde dat de wens om aangifte te doen niet gelijkstaat aan een aanvraag en dat het nieuwe beleid een correcte implementatie is van artikel 8 van Pro de Richtlijn 2004/81/EG.
De rechtbank stelde vast dat het OM op 18 november 2019 had besloten geen vervolging in te stellen en dat daardoor niet werd voldaan aan de voorwaarden voor vergunningverlening. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel faalde, evenals het beroep op het arrest Rantsev. De rechtbank concludeerde dat het nieuwe beleid niet onredelijk is en dat verweerder terecht het besluit tot afwijzing heeft gehandhaafd.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning.