Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
eerst(in elke procedure) concreet vast te (laten) stellen verenigbaar met het Unierecht en meer in het bijzonder met artikel 24, tweede lid, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest), gelezen in samenhang met artikel 51, lid 1, van het Handvest? Luidt de beantwoording van deze vraag anders als de lidstaat een verzoek om verblijfsaanvaarding op reguliere gronden moet beoordelen en het belang van het kind moet worden betrokken bij de beslissing op dat verzoek?
Rechtsvragen huidige procedure en overwegingen van de rechtbank
I Dient verwestering tot bescherming en verblijfsaanvaarding door een lidstaat te leiden?Juridisch kader
geen der Verdragsluitende Staten zal, op welke wijze ook, een vluchteling uitzetten of teruggeleiden naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zou worden op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging”.
het behoren tot een bepaalde sociale groep”.
Gronden van vervolging1. Bij de beoordeling van de gronden van vervolging houden de lidstaten rekening met de volgende elementen:(…)d) een groep wordt geacht een specifieke sociale groep te vormen als met name:— leden van de groep een aangeboren kenmerk vertonen of een gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet gewijzigd kan worden, of een kenmerk of geloof delen dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is, dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven, en— de groep in het betrokken land een eigen identiteit heeft, omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd.(…)Er wordt terdege rekening gehouden met genderaspecten, waaronder genderidentiteit, wanneer moet worden vastgesteld of iemand tot een bepaalde sociale groep behoort of wanneer een kenmerk van een dergelijke groep wordt geïdentificeerd;(…)2. Bij het beoordelen of de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is, doet het niet ter zake of de verzoeker in werkelijkheid de raciale, godsdienstige, nationale, sociale of politieke kenmerken vertoont die aanleiding geven tot de vervolging indien deze kenmerken hem door de actor van de vervolging worden toegeschreven.28.De rechtbank heeft kennisgenomen van de relevante passages uit het UNHCR Handboekom te bezien hoe de vervolgingsgronden die zijn overgenomen in de Kwalificatierichtlijn volgens de UNHCR moeten worden geduid en beoordeeld. De UNHCR heeft onder meer aangegeven dat overlap met andere vervolgingsgronden geregeld voor zal komen, maar de UNHCR stelt niet dat dit een vereiste is om lidmaatschap van een specifieke sociale groep als vervolgingsgrond aan te nemen. Dit blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook niet uit de bewoordingen of de ratio van deze vervolgingsgrond.De UNHCR heeft in Richtlijn Nr. 2aangegeven dat de vervolgingsgrond “het behoren tot een bepaalde sociale groep” de grond is die de minste duidelijkheid biedt, maar dat Staten reeds hebben erkend dat “vrouwen” een bepaalde sociale groep kunnen vormen in de zin van het Verdrag van 1951. Tevens is opgemerkt dat het in de praktijk van de Staten breed gedragen is dat cohesie in de groep geen vereiste is en dat de leden van een groep elkaar dus niet hoeven te kennen of als groep met elkaar hoeven om te gaan. In Richtlijn Nr. 1, die ziet op gendergerelateerde vervolging, is bepaald dat vrouwen een duidelijk voorbeeld zijn van een sociale subgroep met gemeenschappelijke aangeboren en onveranderlijke kenmerken en dat zij vaak anders worden behandeld dan mannen.Tevens heeft de UNHCR in deze richtlijn opgemerkt dat “de omvang van de groep soms is gebruikt als reden om “vrouwen” in het algemeen niet te erkennen als een bepaalde sociale groep terwijl dit argument geen weerslag vindt in feiten of logica aangezien de andere gronden ook niet gebonden zijn aan een bepaalde omvang”.
“een bepaalde sociale groep is een groep personen die een bepaald kenmerk gemeen hebben, anders dan hun risico op vervolging,ofdie door de samenleving als groep worden gezien. Dit kenmerk is vaak iets dat aangeboren of onveranderlijk is of dat anderszins fundamenteel is voor de identiteit, het geweten of het uitoefenen van de eigen mensenrechten.”De UNHCR lijkt zodoende uit te gaan van alternatieve voorwaarden om te kunnen spreken van deze vervolgingsgrond, terwijl het Hof – overeenkomstig de tekst van artikel 10 van Pro de Kwalificatierichtlijn – heeft bepaald dat sprake is van cumulatieve voorwaarden.
1. als de verwestering gekoppeld is aan een politieke of religieuze overtuiging.2. als haar een van de vervolgingsgronden wordt toegedicht in verband met haar persoonlijke uiterst moeilijk of nagenoeg onmogelijk te veranderen kenmerken, of waarin zij daardoor een risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro. Daarbij spelen met name het gedrag van de vreemdeling in het land van herkomst, de leeftijd die zij had op het moment van haar vertrek, hoe zij zich in Nederland heeft ontwikkeld en haar verblijfsduur in Nederland een belangrijke rol.32. De Afdeling heeft in deze uitspraak verder geoordeeld dat “verwesterde vrouwen” niet als sociale groep als bedoeld in artikel 10 van Pro de Kwalificatierichtlijn beschouwd worden omdat deze groep te divers is en aan verwesterde gedragingen verschillende motieven ten grondslag (kunnen) liggen. Verweerder heeft op grond van de jurisprudentie van de Afdeling beleid [12] gemaakt en dezelfde voorwaarden gesteld aan het aannemen van de vervolgingsgrond “lid zijn van een specifieke sociale groep” op grond van verwestering.
de groep in het betrokken land een eigen identiteit heeft, omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd”moet worden uitgelegd. De rechtbank leidt uit het eerdergenoemde arrest Ahmedbekova af dat dit een cumulatief vereiste is om te kunnen spreken van een “specifieke sociale groep” hoewel de UNHCR deze vereisten als alternatief beschouwt.
specifieke sociale groepbeschouwt maar als
individuele religieuze afvalligen of politieke tegenstanders, omdat ze afwijken van de heersende religieuze of politieke norm. De rechtbank wenst daarom van het Hof te vernemen of de beoordeling of eiseressen moeten worden aangemerkt als leden van een specifieke sociale groep moet worden gemaakt vanuit het perspectief van de lidstaat of vanuit het perspectief van de actor van vervolging. Artikel 10, tweede lid, van de Kwalificatierichtlijn kan in dit verband mogelijk meebrengen dat indien bij afwezigheid van een religieuze of politieke overtuiging of specifieke sociale groep de lidstaat concludeert dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een vervolgingsgrond in een situatie als die waarin eiseressen zich bevinden, terwijl aannemelijk is dat het uiten van fundamentele kenmerken van de identiteit door eiseressen wel tot vervolging leidt indien deze kenmerken van vervolgingsgronden aan eiseressen door de actor van de vervolging worden toegeschreven. En ook indien eiseressen zich niet bewust zijn van de omstandigheid dat er meerdere jonge derdelanders in vergelijkbare omstandigheden in de lidstaat verblijven, is het niet uitgesloten dat een actor terugkerende onderdanen, vanwege de gemeenschappelijke achtergrond van het enkele feitelijke verblijf in de Unie, als groep beschouwen. Artikel 10 van Pro de Kwalificatierichtlijn schrijft voor dat eerst wordt beoordeeld of sprake is van een vervolgingsgrond en pas daarna of sprake is van toegedichte kenmerken van een vervolgingsgrond. Deze redactie van de bepaling veronderstelt dat eerst een beoordeling plaatsvindt vanuit het perspectief van de lidstaat en indien dit niet leidt tot de aanname van een vervolgingsgrond, de verzoeker alsnog aannemelijk kan maken dat een actor hem wel kenmerken van een vervolgingsgrond toedicht. Bij de vervolgingsgroep “specifieke sociale groep” is een complicerende factor dat individuen van een groep zich niet altijd als groep zullen manifesteren in het land van herkomst juist vanwege de vrees voor vervolging. De vraag die opkomt is of van eiseressen kan worden verwacht dat zij, als zij ten overstaan van de beslisautoriteit niet aannemelijk weten te maken dat zij behoren tot een specifieke sociale groep, aannemelijk maken
waaromeen actor hen zal vervolgen als zij zich na terugkeer uiten zoals zij hier nu doen. Uit landeninformatie blijkt wat de heersende normen en waarden in Afghanistan zijn. Eiseressen stellen daaraan niet te kunnen voldoen. Partijen zijn het erover eens dat het uiten van normen en waarden die eiseressen hebben of het vertonen van feitelijke gedragingen die zij nu vertonen tot vervolging in Afghanistan zal leiden. Dient reeds op grond van deze feiten en omstandigheden de vluchtelingenstatus te worden toegekend ondanks dat niet komt vast te staan van welke vervolgingsgrond sprake is? De rechtbank vraagt het Hof te verduidelijken of van eiseressen mag worden verwacht dat zij vervolging trachten te voorkomen door hun normen en waarden te verhullen en zich dus terughoudend op te stellen en of deze eisen hoger zijn als het gaat om vervolging op grond van toegedichte vervolgingsgronden te voorkomen.
Subsidiaire bescherming
II Het belang van het kind49. Eiseressen waren ten tijde van het indienen van de opvolgende verzoeken om internationale bescherming en ten tijde van de behandeling van hun beroepen tegen de afwijzende beslissingen minderjarig. Dit betekent dat reeds hierom verweerder het belang van het kind moet betrekken bij zijn beoordeling of internationale bescherming moet worden verleend. Gelet op de door eiseressen aangevoerde feiten en omstandigheden wordt de rechtbank echter ook voor de vraag gesteld of het belang van het kind in de weg staat aan een terugkeerplicht voor verwesterde en gewortelde kinderen en of het belang van het kind – ook als dat niet asielgerelateerd is – tot verblijfsaanvaarding dient te leiden indien een verzoek om internationale bescherming wordt ingediend.
impliceertdat dit belang allereerst wordt vastgesteld en dat dit een verplichting voor de beslisautoriteit behelst. Omdat artikel 24, tweede lid, van het Handvest terug te voeren is op artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de Rechten van het Kind en de preambule van de Kwalificatierichtlijn ook hiernaar verwijst haalt de rechtbank bij deze vraag het Comité voor de Rechten van het Kind aan.
(…)
27. Article 3 (1) of the Convention on the Rights of the Child places an obligation on both the public and the private spheres, courts of law, administrative authorities and legislative bodies to ensure that the best interests of the child are assessed and taken as a primary consideration in all actions affecting children.
(…)
31. In order to implement the best interests principle in migration-related procedures or decisions that could affect children, the Committees stress the need to conduct systematically best-interests assessments and determination procedures as part of, or to inform, migration-related and other decisions that affect migrant children. As the Committee on the Rights of the Child explains in its general comment No. 14, the child’s best interests should be assessed and determined when a decision is to be made.
(…)
“The expression “primary consideration” means that the child’s best interests may not be considered on the same level as all other considerations.”
Best Interests of the Child-Assessment
- gezond opgroeien
- psychische gezondheid langdurig verblijvende kinderen met onzekere verblijfsstatus
- ernstige gevolgen chronische stress op hersenontwikkeling en geheugen
- risicofactoren uitzetting
- aanpassingsproblemen bij uitgezette kinderen
- aanpassing na uitzetting vanuit neurologisch perspectief.
Verklaring eiseressen
79 Volgens de rechtspraak van het Hof verplicht artikel 8, lid 1, van richtlijn 2008/115 de lidstaten ertoe om, wanneer een terugkeerbesluit is uitgevaardigd tegen een onderdaan van een derde land maar deze niet aan de terugkeerverplichting heeft voldaan, ongeacht of dat het geval is binnen de voor vrijwillig vertrek toegestane termijn dan wel of geen termijn daarvoor is toegekend, teneinde de doeltreffendheid van de terugkeerprocedures te verzekeren, de nodige maatregelen te nemen voor de verwijdering van de betrokkene, namelijk diens fysieke verwijdering uit die lidstaat volgens artikel 3, punt 5, van die richtlijn (arrest van 23 april 2015, Zaizoune, C 38/14, EU:C:2015:260, punt 33).
80 Voorts zij eraan herinnerd dat de lidstaten, zoals volgt uit zowel hun loyaliteitsplicht als de vereisten van doeltreffendheid die met name in overweging 4 van richtlijn 2008/115 in herinnering worden gebracht, zo spoedig mogelijk moeten voldoen aan de hun bij artikel 8 van Pro die richtlijn opgelegde verplichting om bedoelde onderdaan in de in lid 1 van dat artikel genoemde gevallen te verwijderen (arrest van 23 april 2015, Zaizoune, C 38/14, EU:C:2015:260, punt 34).
De schade die eiseressen thans hebben opgelopen door langdurig verblijf in Nederland zonder zekerheid te hebben over verblijfsaanvaarding houdt geen verband met asielmotieven. Betoogd zou kunnen worden dat net als in de situatie waar het arrest M’Bodj op ziet, geen sprake is van een actor die deze schade heeft veroorzaakt en zal blijven veroorzaken als niet tot verblijfsaanvaarding wordt overgegaan.
“In Nederland heb ik geleerd dat vrouwen dezelfde rechten hebben als mannen. Je kunt mij dit niet leren en dan voor mij beslissen en denken dat ik dit in een andere wereld niet meer zou voelen. Dat bestaat niet. Ik heb het geleerd en ik weet het. Dat is niet iets wat je mij kunt laten vergeten.”en
“Ik ben een tiener in Nederland, zoals andere tieners in Nederland opgegroeid. Dit is hoe dat ik hier leef en dat is wie ik nu ben”.
eerst(in elke procedure) concreet vast te (laten) stellen verenigbaar met het Unierecht en meer in het bijzonder met artikel 24, tweede lid, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest), gelezen in samenhang met artikel 51, lid 1, van het Handvest? Luidt de beantwoording van deze vraag anders als de lidstaat een verzoek om verblijfsaanvaarding op reguliere gronden moet beoordelen en het belang van het kind moet worden betrokken bij de beslissing op dat verzoek?
- verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de hierboven onder rechtsoverweging 102 geformuleerde vragen;
- schorst de behandeling van het beroep in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie en houdt iedere verdere beslissing aan.