De rechtbank heeft het verzoek van de officier van justitie behandeld om de zorgmachtiging, verleend op 5 februari 2021 aan betrokkene, te beëindigen. Betrokkene en zijn advocaat stelden dat er geen sprake is van een psychische stoornis of verslavingsproblematiek die verplichte zorg rechtvaardigt. De deskundigen bevestigden echter dat betrokkene lijdt aan een neurocognitieve stoornis als gevolg van alcoholmisbruik, met significante beperkingen in het functioneren.
De rechtbank nam kennis van medische verklaringen, een psychologisch onderzoeksverslag en de mondelinge behandeling waarbij alle betrokkenen telefonisch werden gehoord vanwege COVID-19 maatregelen. De zorgmachtiging is verleend op basis van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) en is geldig tot 5 februari 2022.
De rechtbank oordeelde dat de doelen van de verplichte zorg nog niet zijn bereikt en dat betrokkene nog steeds ernstig nadeel ondervindt door zijn stoornissen. De zorgbehoefte valt onder de Wvggz en kan niet op vrijwillige basis worden verleend. Hoewel betrokkene recent is overgeplaatst naar een meer passende afdeling en gesprekken voert over zijn woon- en behandelperspectief, is dit geen reden om de machtiging te beëindigen.
Daarom wijst de rechtbank het verzoek af en blijft de zorgmachtiging van kracht tot de einddatum. De behandelaars zullen binnen de wettelijke kaders de meest geschikte zorg blijven bieden. Tegen deze beschikking staat cassatie open.