ECLI:NL:RBDHA:2021:7685

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 februari 2021
Publicatiedatum
21 juli 2021
Zaaknummer
AWB 20/7787
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:81 AwbArt. 6:16 AwbArt. 73 lid 2 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning en uitzettingsbevel

Verzoeker, van Marokkaanse nationaliteit, kreeg zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 2013 en werd bevolen Nederland te verlaten met een inreisverbod van tien jaar. Tegen dit besluit maakte hij bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter overweegt dat de werking van het besluit niet automatisch wordt geschorst door het bezwaar en dat verweerder niet bevoegd is de uitzetting op te schorten. Verweerder verzet zich niet tegen de voorlopige voorziening.

Gezien het niet langer betwisten van de uitzetting en de belangenafweging wordt het verzoek toegewezen en wordt uitzetting verboden tot vier weken na de beslissing op bezwaar. Verzoeker wordt vrijgesteld van griffierecht wegens betalingsonmacht en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting wordt verboden tot vier weken na beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/7787

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 februari 2021 in de zaak tussen

[verzoeker], geboren op [1968], van Marokkaanse nationaliteit, verzoeker
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E.J. Joosten),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan verzoeker verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot aan 16 augustus 2013, bepaald dat verzoeker Nederland onmiddellijk moet verlaten en aan verzoeker een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaren.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Partijen hebben toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om het onderzoek ter zitting achterwege te laten.

Overwegingen

1. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht voor de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening wegens betalingsonmacht. Verzoeker heeft naar het oordeel van de rechtbank met het door hem overgelegde formulier aannemelijk gemaakt dat hij niet over voldoende inkomsten of vermogen beschikt om het verschuldigde bedrag aan griffierecht te betalen. Het beroep op betalingsonmacht slaagt. Verzoeker wordt vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
2. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan – onder meer – indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Bij schrijven van 28 januari 2021 heeft verweerder medegedeeld zich niet te verzetten tegen toewijzing van hetgeen in het verzoekschrift is verzocht.
4. De voorzieningenrechter overweegt dat de werking van het bestreden besluit van 18 augustus 2020 ingevolge artikel 6:16 van Pro de Awb in samenhang met artikel 73, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet geschorst wordt, ook niet indien tegen dat besluit bezwaar is gemaakt. Tevens overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder ingevolge de Awb noch de Vw zelf de bevoegdheid heeft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit- met de aanzegging aan verzoeker Nederland te verlaten- op te schorten.
5. Nu tussen partijen niet langer in geschil is dat van uitzetting van verzoeker behoort te worden afgezien, bestaat aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen en uitzetting te verbieden tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.
6. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 534,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

BeslissingDe voorzieningenrechter:

  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
  • verbiedt verweerder verzoeker uit Nederland te verwijderen tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 534,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van L.S. Lodder, griffier. De beslissing is uitgesproken op 23 februari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.