Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[Naam], verzoeker
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
’bij terugkeer naar Duitsland of een risico op indirect refoulement.
Rechtbank Den Haag
Verzoeker, met de Guinese nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier met als doel verblijf bij zijn gestelde zus in Nederland. Deze aanvraag werd afgewezen omdat verzoeker niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) en niet voldeed aan de vrijstellingscriteria op grond van artikel 8 EVRM Pro.
Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om de overdracht aan de Duitse autoriteiten uit te stellen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek ontvankelijk was, maar wees het af omdat verzoeker zijn identiteit en daarmee de familierechtelijke relatie met zijn zus niet aannemelijk had gemaakt. Tevens was er geen sprake van een beschermenswaardig familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro.
De voorzieningenrechter overwoog dat verweerder terecht het MVV-vereiste toepaste en dat er geen aanleiding was om de hardheidsclausule toe te passen. Ook werd geoordeeld dat er geen risico op indirect refoulement bestond bij overdracht aan Duitsland, mede gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt afgewezen wegens ontbreken van geldige MVV en onvoldoende bewijs van familierechtelijke relatie.