ECLI:NL:RBDHA:2021:7315
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing prematuur ingediende mvv-aanvraag wegens ontbreken zelfstandige verblijfsvergunning
Eiseres, met de Eritrese nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot afwijzing van haar mvv-aanvraag in het kader van nareis. De aanvraag werd afgewezen omdat de moeder van eiseres, bij wie zij wilde verblijven, niet beschikte over een zelfstandige verblijfsvergunning maar slechts over een afgeleide verblijfsvergunning.
Eiseres stelde dat de aanvraag onterecht werd afgewezen omdat haar moeder op het moment van de aanvraag een zelfstandige asielvergunning had aangevraagd en dat verweerder niet tijdig op die aanvraag had beslist. Tevens werd aangevoerd dat de staatssecretaris niet tijdig had gewezen op de mogelijkheden om alsnog tot gezinshereniging te komen, in strijd met het arrest K. en B. van het HvJEU.
De rechtbank oordeelde dat het wettelijke vereiste van een zelfstandige verblijfsvergunning niet kan worden genegeerd en dat verweerder niet bevoegd is af te wijken van dit vereiste. Het feit dat de moeder van eiseres later alsnog een zelfstandige verblijfsvergunning verkreeg, leidt niet tot een ander oordeel. De aanvraag was prematuur ingediend. Daarnaast is voldaan aan de informatieplicht van verweerder door het vermelden van de mogelijkheid om een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro aan te vragen.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard omdat de aanvraag prematuur was ingediend.