Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.[gedaagde] [woonplaats 2] ,
[gedaagde 2]te [woonplaats 2] ,
1.De procedure
- het tussenvonnis van 29 april 2020;
- de akte uitlaten nadere bewijslevering zijdens [gedaagden] van 13 mei 2020;
- de nader overgelegde stukken, producties 1 en 2, zijdens [gedaagden] van 3 juni 2020;
- de antwoordakte uitlaten nadere bewijslevering zijdens [eiser] van 24 juni 2020;
- de brief met nader overgelegde stukken, bijlage 1 en 2, zijdens [gedaagde 2] van 2 november 2020;
- het proces-verbaal van het getuigenverhoor van [eiser] en mevrouw [dochter van eiser] van 1 maart 2021;
- de conclusie na enquête zijdens [eiser] van 31 maart 2021, met producties a tot en met f;
- de conclusie na enquête zijdens [gedaagde 2] van 28 april 2021, met bijlage 3.
2.De verdere beoordeling
verzoek overlegging originele overeenkomsten
- de (voorlopige) belastingaanslagen 2014-2019;
- bewijzen van gemeentelijke schuldhulpverlening;
- een verklaring van [gedaagde 2] ; en
- een boedelbeschrijving met betrekking tot de nalatenschap van de echtgenote van [eiser] en moeder van [gedaagde 2] .
- [eiser] ; en
- mevrouw [dochter van eiser] (hierna: mevrouw [dochter van eiser] ), de dochter van [eiser] en zus van
(“Mijn man heeft me verteld dat het giften betrof, maar dat hij op dringend verzoek van zijn vader en om puur fiscale redenen een of meer leningsovereenkomsten heeft getekend”). Daaruit leidt de rechtbank af dat [gedaagde 2] zelf geen contact heeft gehad met [eiser] over de voorwaarden waaronder de geldbedragen werden verstrekt en dat zij haar kennis daarover uitsluitend van haar man, medegedaagde [gedaagde 2] , heeft. Dit alles is onvoldoende om te kunnen ontzenuwen dat sprake is geweest van leningen.
€ 9.964,00(4 punten x tarief VII à € 2.491,-)