ECLI:NL:RBDHA:2021:6850
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vrijstelling middelenvereiste bij mvv-aanvraag wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Eiser, met de Indiase nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid bij zijn echtgenote, de referente. De aanvraag werd afgewezen omdat de referente niet zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikte en niet voldeed aan de voorwaarden voor vrijstelling van het middelenvereiste. De rechtbank oordeelde dat de verweerder terecht concludeerde dat de referente niet blijvend arbeidsongeschikt was en slechts een eenmalige tijdelijke ontheffing van de arbeidsinschakelingsplicht had ontvangen.
Eiser voerde aan dat de medische stukken en het participatieplan van de gemeente Den Haag aantoonden dat de referente sinds 2013 hulpbehoevend was en niet in staat tot arbeid, en dat daarmee de vrijstelling van het middelenvereiste terecht zou moeten worden toegekend. Tevens stelde eiser dat het besluit een schending van artikel 8 EVRM Pro inhield en dat de hoorplicht was geschonden.
De rechtbank stelde vast dat eiser deze stellingen onvoldoende met bewijs had onderbouwd en dat de verweerder alle relevante feiten en omstandigheden had meegewogen, waaronder het ontbreken van een langdurige ontheffing van de arbeidsinschakelingsplicht en het ontbreken van bewijs van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Ook was er geen objectieve belemmering aangetoond voor het gezinsleven in India. De belangenafweging was zorgvuldig gemaakt en er was geen schending van de hoorplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende bewijs voor vrijstelling van het middelenvereiste.