Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2021:6702

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juni 2021
Publicatiedatum
1 juli 2021
Zaaknummer
C/09/610017 / KG RK 21-392
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende partijdigheid

De wrakingskamer van de rechtbank Den Haag behandelde het verzoek tot wraking van mr. J.L.M. Luiten, rechter in een civiele procedure tussen Bascon Constructiebedrijf B.V. en een belanghebbende. Het verzoek was gebaseerd op opmerkingen van de rechter tijdens een getuigenverhoor, waarin hij twijfels uitte over de noodzaak van het horen van overige getuigen en zijn mening gaf over het tussenvonnis.

De wrakingskamer overwoog dat een rechter alleen gewraakt kan worden bij objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid. Het stellen van vragen over de voortgang van de procedure, ook tijdens een getuigenverhoor, is toegestaan mits partijen de ruimte krijgen zich hierover uit te laten. De opmerkingen van de rechter betroffen geen standpunt over de uitkomst van de procedure en gaven geen aanwijzing tot vooringenomenheid.

Daarom concludeerde de wrakingskamer dat de gronden onvoldoende waren om de onpartijdigheid van de rechter ter discussie te stellen. Het wrakingsverzoek werd afgewezen en de procedure werd voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het verzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens gebrek aan objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2021/19
zaak- /rekestnummer: C/09/610017 / KG RK 21-392
Beslissing van 14 juni 2021
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
Bascon Constructiebedrijf B.V.,
gevestigd te Den Haag, hierna te noemen: verzoeker,
advocaat mr. M.A.D. Bol te Rotterdam,
strekkende tot de wraking van
mr. J.L.M. Luiten,
rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter.
Belanghebbende in deze procedure is:
[belanghebbende] , advocaat mr. A.S.J. Graventein - van Etten, te Den Haag.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van 1 april 2021 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 26 mei 2021.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
- verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman mr. Bol, voornoemd;
- de rechter;
- de belanghebbende, haar partner en haar advocaat mr. Graventein - van Etten, voornoemd.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer 579465 / HA ZA 19/918 tussen verzoeker en belanghebbende.
2.2.
Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van het mondelinge verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd.
Tijdens het getuigenverhoor van verzoeker (gedaagde in onderliggende procedure) heeft de rechter - na het verhoor van verzoeker als partijgetuige - aangegeven dat, nu in het door de rechter voorgehouden rapport stond wat de oorzaak was van de scheurvorming en verzoeker dit zou erkennen, hij niet dacht dat het nog nodig was nadere getuigen te horen. Door verzoeker is naar voren gebracht dat het gaat om de aansprakelijkheid en dat dit punt nog niet duidelijk was. De rechter heeft voorts aangegeven dat hij het niet eens was met de inhoud van het tussenvonnis en dat hij dit anders zou hebben aangepakt. Mede hierdoor is de schijn van partijdigheid en vooringenomenheid ontstaan.
2.3.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Hij heeft in zijn reactie onder meer aangegeven niet te hebben gezegd de overige getuigen niet te willen horen, maar de vraag te hebben gesteld of het na het horen van verzoeker als partijgetuige nog nodig was om de overige getuigen te horen.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden.
3.2.
De gronden die verzoeker naar voren brengt zien op de vraag die de rechter heeft gesteld naar aanleiding van het verloop van het getuigenverhoor, te weten of het nog nodig zou zijn om de overige getuigen te horen. De wrakingskamer is van oordeel dat het, ook tijdens een getuigenverhoor, de rechter vrij staat om dergelijke vragen te stellen en daarmee de voortgang van een procedure ter discussie te stellen mits daarbij ook aan partijen de ruimte wordt gelaten om zich daarover uit te laten. Niet gebleken is dat de rechter heeft gezegd dat hij de andere getuigen niet wilde horen. Uit het enkele stellen van de vraag blijkt niet van partijdigheid of vooringenomenheid van de rechter.
3.3.
Verzoeker heeft daarnaast naar voren gebracht dat de rechter heeft aangegeven de zaak te hebben overgenomen en dat hij zelf op een andere wijze tussenvonnis zou hebben gewezen. Uit deze opmerking kan, naar het oordeel van de wrakingskamer, evenmin de schijn van partijdigheid of vooringenomenheid van de rechter worden afgeleid, Deze opmerking ziet niet op een standpunt dat door een van de partijen is ingenomen, terwijl daaruit ook niet blijkt van vooringenomenheid voor wat betreft de uitkomst van de procedure.
3.4.
Blijkens het bovenstaande kan uit de door verzoekster aangevoerde gronden niet het aannemen van de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor worden afgeleid. Daarom wordt het verzoek afgewezen.

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat de behandeling van de onder 1 vermelde procedure wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker p/a zijn advocaat mr. M.A.D. Bol;
• eiseres in de hoofdzaak p/a haar advocaat mr. A.S.J. van Graventein - van Etten.
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mr. M. Kramer, voorzitter en mrs. H.J.M. Smid-Verhage en M. Nijenhuis, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.E. van Damme en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2021.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.