Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Element ‘bekering tot het christendom’
‘Ik was toen niet bewust op zoek naar een religie maar toen mijn oom over het christendom sprak besloot ik me erin te gaan verdiepen want zijn woorden deden mij goed en motiveerden mij. Na verdieping zag ik de schoonheid ervan in wat ik toen miste in mijn leven.’Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zijn standpunt gelet op deze verklaring van eiser onvoldoende gemotiveerd door slechts te stellen dat deze correctie niet afdoet aan de vaststelling dat eiser niet op zoek was naar een religie. Daarmee is nog niet gemotiveerd waarom eiser niet wordt gevolgd in zijn verklaring. Ter zitting heeft verweerder dat desgevraagd ook niet toegelicht en slechts aangegeven niet in te zien wat het uitmaakt voor de zaak, omdat de bekering hierdoor – gelet op de andere tegenwerpingen – nog niet geloofwaardig wordt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee echter nog steeds niet afdoende gemotiveerd waarom eiser niet wordt gevolgd in zijn verklaring en voorts onvoldoende kenbaar gemotiveerd hoe de verklaring van eiser meeweegt in de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank merkt overigens op dat het ook niet onaannemelijk voorkomt dat eiser door de evangelisatie van zijn oom in deze sombere tijd interesse heeft gekregen in religie en zich daarin is gaan verdiepen. Ook heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het licht van het voorgaande zijn tegenwerping – dat eiser zijn persoonlijke beweegreden om zich tot het christendom te bekeren niet heeft weergegeven met zijn verklaring dat hij eenzaam en depressief was – onvoldoende gemotiveerd.
toenhet gevoel had dat hij berouw moest tonen, is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van eiser zo kunnen worden gelezen als dat hij de vraag opvatte als een vraag naar waarom hij juist op dat moment het gevoel had dat hij berouw moest tonen en niet als een vraag naar wáár hij berouw voor moest tonen.