ECLI:NL:RBDHA:2021:6560
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op verblijfsrecht gemeenschapsonderdaan en afgeleid verblijfsrecht echtgenote
Eiseres, een Peruaanse staatsburger en echtgenote van een Nederlander, verbleef sinds juni 2019 in Nederland. Verweerder stelde bij besluit vast dat zij geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan had omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 8.12 Vreemdelingenbesluit 2000, zoals het ontbreken van werk of voldoende bestaansmiddelen.
Eiseres voerde aan dat zij als echtgenote van een Nederlander met een eerdere EU-nationaliteit een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van de Verblijfsrichtlijn en het arrest Lounes van het Hof van Justitie EU. Tevens stelde zij dat verweerder onvoldoende rekening hield met haar belangen en dat de hoorplicht was geschonden.
De rechtbank oordeelde dat eiseres niet voldeed aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf, noch kon aantonen dat zij werk zocht met reële kans op werk. Het beroep op afgeleid verblijfsrecht faalde omdat verweerder de richtlijn analoog toepaste en eiseres niet voldeed aan de vereiste vijf jaar onafgebroken legaal verblijf. De belangenafweging was zorgvuldig en de hoorplicht niet geschonden.
Het beroep werd ongegrond verklaard en eiseres werd opgedragen Nederland binnen vier weken te verlaten. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het verblijf bevestigd.