ECLI:NL:RBDHA:2021:6156
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning en opdracht tot herbeoordeling bezwaar
Eiser, houder van een verblijfsvergunning als familie- of gezinslid, kreeg zijn vergunning ingetrokken met terugwerkende kracht tot het moment van beëindiging van zijn eerdere relatie. Hij had een aanvraag ingediend voor wijziging van de beperking van zijn verblijfsvergunning vanwege een nieuwe relatie. De intrekking leidde tot een verblijfsgat van enkele maanden.
De rechtbank oordeelt dat de intrekking op grond van de Vreemdelingenwet 2000 terecht is, omdat de relatie waarop de vergunning was gebaseerd was beëindigd. Echter, de rechtbank stelt vast dat verweerder niet zorgvuldig heeft gehandeld door de door eiser alsnog aangeleverde bewijsstukken over de nieuwe relatie niet inhoudelijk te beoordelen en eiser niet te horen in bezwaar.
Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd en wordt verweerder opgedragen het bezwaar opnieuw te behandelen, met inachtneming van de juiste procedure en inhoudelijke beoordeling. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen het bezwaar opnieuw te beoordelen.