ECLI:NL:RBDHA:2021:5999
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen sluiting avondwinkel wegens drugshandel
Verzoeker, huurder van een pand waarin een avondwinkel wordt geëxploiteerd, verzocht om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de burgemeester van Delft om het pand voor zes maanden te sluiten wegens drugshandel.
De sluiting volgde op een controle waarbij een aanzienlijke hoeveelheid MDMA werd aangetroffen in een tasje van verzoeker. Hoewel verzoeker in een strafrechtelijke procedure werd vrijgesproken vanwege de lage kwaliteit van de drugs, achtte de burgemeester op grond van de Opiumwet en beleidsregels de sluiting noodzakelijk en evenredig.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester terecht uitging van een handelshoeveelheid drugs en dat de sluiting noodzakelijk was ter bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde. De vrijspraak in strafrechtelijke zin stond los van de bestuursrechtelijke bevoegdheid tot sluiting.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het primaire besluit in bezwaar in stand kan blijven en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de avondwinkel wordt afgewezen.