Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Poolse nationaliteit, is geconfronteerd met een maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, nadat zijn rechtmatig verblijf in Nederland was beëindigd. Hij voerde aan dat onvoldoende gronden aanwezig waren voor de maatregel, dat hij detentieongeschikt zou zijn en dat er geen zicht op uitzetting was.
De rechtbank stelde vast dat het rechtmatig verblijf van eiser reeds in december 2017 was beëindigd en dat hij Nederland had moeten verlaten. Ondanks het ontbreken van een meldplicht en het feit dat eiser niet in de Basisregistratie Personen stond ingeschreven, waren er voldoende gronden om de maatregel op te leggen, waaronder het risico op onttrekking aan toezicht en het niet voldoen aan vertrekverplichtingen.
De rechtbank oordeelde dat het verblijf in een psychisch centrum niet automatisch detentieongeschiktheid betekent, temeer daar eiser geen medische informatie had overgelegd. Ook was er volgens de rechtbank wel degelijk zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, met vertrek voorzien op 4 juni 2021 onder begeleiding.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.