ECLI:NL:RBDHA:2021:5795
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek urgentieverklaring wegens onvoldoende onderbouwing en beleidsruimte gemeente
Verzoeker diende een aanvraag in voor een urgentieverklaring vanwege ernstige psychiatrische problematiek en de daarmee gepaard gaande druk op zijn gezin. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees deze aanvraag af omdat er volgens hen geen sprake was van een urgent huisvestingsprobleem en verzoeker het probleem op andere wijze kon oplossen. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
Tijdens de zitting, gehouden via Skype, stond vast dat verweerder beleidsruimte heeft bij de beoordeling van urgentieverklaringen en dat een restrictief beleid gerechtvaardigd is gezien het schaarse woningaanbod. Verzoeker stelde dat zijn psychische problemen niet uitsluitend het gevolg waren van een echtscheiding en dat hij niet zelfredzaam is. Verweerder had de aanvraag inmiddels ter advisering aan de GGD voorgelegd.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder de hardheidsclausule terecht niet toepaste, omdat de situatie van verzoeker niet zodanig schrijnend is dat deze zich onderscheidt van vergelijkbare gevallen. Verzoeker had onvoldoende aangetoond dat hij alle redelijke mogelijkheden had benut om zijn huisvestingsprobleem op te lossen. De stelling dat hij geen woning op de particuliere markt kan betalen, was niet onderbouwd. De voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
De uitspraak is in het openbaar gedaan op 8 juni 2021 door voorzieningenrechter M.M. Meijers, en er staat geen rechtsmiddel tegen open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt afgewezen.