ECLI:NL:RBDHA:2021:5713
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij schadevergoeding
Verzoeker heeft een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen, waarbij hij een voorschot van €10.000,- op een te betalen schadevergoeding eiste. Dit verzoek werd gedaan in het kader van een lopende bestuursrechtelijke procedure tegen het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
De voorzieningenrechter overwoog dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen indien onverwijlde spoed dat vereist, gelet op de betrokken belangen. Verzoeker stelde dat hij schulden had opgelopen door een onrechtmatig besluit en sinds 2018 bij zijn ouders woont, waardoor hij niet langer kan wachten. Verweerder betwistte het spoedeisend belang en wees op het restitutierisico.
De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen sprake was van een acute noodsituatie of onomkeerbare gevolgen voor verzoeker. Ook was niet evident dat hem zonder diepgaand onderzoek schadevergoeding zou worden toegekend, mede omdat verweerder het bestaan van schade betwistte. Het financiële belang van verzoeker werd niet als zwaarwegend genoeg beoordeeld om een voorziening te rechtvaardigen.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen zonder zitting, en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.