ECLI:NL:RBDHA:2021:5531

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2021
Publicatiedatum
1 juni 2021
Zaaknummer
AWB 20/1274
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 Vreemdelingenwet 2000Art. 3.48 Vreemdelingenbesluit 2000Paragraaf B8/3 Vreemdelingencirculaire 2000Artikel 8 EVRMVerordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier humanitair tijdelijk na aangifte mensenhandel

Eiser, een Nigeriaanse nationaliteit bezittende persoon, heeft op 12 november 2019 aangifte gedaan van mensenhandel. De politie heeft deze aangifte op 14 november 2019 aan de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid gemeld, die dit als aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier humanitair tijdelijk heeft behandeld. Het bestreden besluit van 17 februari 2020 wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond.

Eiser stelde dat het enkel doen van aangifte als slachtoffer van mensenhandel voldoende zou moeten zijn voor een tijdelijk verblijfsrecht, ook al was er later een sepotbeslissing genomen. Hij voerde aan dat hij slachtoffer was van mensenhandel en seksuele uitbuiting als minderjarige in Italië en dat het tijdsverloop voor het horen hem niet kon worden verweten. Tevens voerde hij aan dat hij een privéleven in Nederland opbouwde en dat uitzetting strijdig zou zijn met artikel 8 EVRM Pro.

De staatssecretaris wees de aanvraag af op grond van artikel 16 van Pro de Vreemdelingenwet in samenhang met artikel 3.48 van het Vreemdelingenbesluit en paragraaf B8/3 van de Vreemdelingencirculaire, omdat het Openbaar Ministerie geen strafrechtelijke vervolging instelde wegens gebrek aan rechtsmacht. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris het juiste toetsingskader hanteerde en dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor de vergunning. Ook waren geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die een afwijking van het beleid rechtvaardigden.

De rechtbank verwierp het beroep van eiser dat een lopende beklagprocedure recht zou geven op verblijf en oordeelde dat het recht op verblijfsvergunning pas herleeft indien het beklag gegrond wordt verklaard. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro werd verworpen wegens onvoldoende onderbouwing. Ook de op coronavirus gebaseerde opschorting van overdrachten aan Italië gaf geen recht op verblijf. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning humanitair tijdelijk wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 20/1274
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde: mr. E.S. van Aken,
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman.

Procesverloop

Eiser heeft op 17 februari 2020 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 februari 2020 (het bestreden besluit).
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 23 april 2021. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten.
Op 14 juni 2019 heeft eiser asiel aangevraagd. Die aanvraag is door verweerder niet in behandeling genomen omdat op grond van de Dublinverordening [1] Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Dat besluit is – na beroep bij deze rechtbank [2] en hoger beroep bij de Afdeling [3] – onherroepelijk.
2. Eiser heeft op 12 november 2019 aangifte gedaan van mensenhandel. De politie heeft verweerder op 14 november 2019 middels een kennisgeving (Model M55) in kennis gesteld van de aangifte. Verweerder heeft deze in behandeling genomen als aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel ‘humanitair tijdelijk’.
Bij besluit van 26 november 2019 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden. Verweerder heeft daartoe overwogen dat hij bericht [4] heeft ontvangen van het OM [5] waarin is vermeld dat de aanwezigheid van eiser in Nederland niet noodzakelijk is. Verweerder heeft verder overwogen dat er ook geen sprake is van bijzondere omstandigheden om af te wijken van zijn beleidsregels.
3. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard.
4. Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat al vlak na de ingediende asielaanvraag kenbaar was dat hij aangifte wilde doen van mensenhandel. Hij stelt in dat verband dat uit het relaas aanstonds blijkt dat hij als minderjarige asielzoeker in Italië slachtoffer is geworden van mensenhandel en seksuele uitbuiting. Hij merkt daarbij op dat hij pas in een zeer laat stadium is gehoord en dat dat tijdsverloop hem niet kan worden verweten. Eiser stelt zich op het standpunt dat het enkel doen van aangifte vanwege slachtofferschap van mensenhandel voldoende had moeten zijn om hem in afwachting van verdere beoordeling van deze aangifte toe te staan om hier te lande te verblijven en hem een tijdelijk verblijfsrecht te verlenen. Het feit dat er later een sepotbeslissing is gevolgd, betekent volgens eiser nog niet dat er een onherroepelijk einde is gekomen aan de strafrechtelijke vervolging/beoordeling. In dat verband heeft eiser opgemerkt dat hij zijn beklag heeft gedaan bij het Gerechtshof vanwege het niet verder strafrechtelijk vervolgen.
Tot slot heeft eiser opgemerkt dat hij in Nederland een privéleven opbouwt. Hij meent dan ook dat uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM Pro [6] .
5. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van artikel 16 van Pro de Vw [7] in samenhang met artikel 3.48 van het Vb [8] en paragraaf B8/3 van de Vc [9] .
In paragraaf B8/3 van de Vc is – voor zover van belang – het volgende bepaald.
De IND verleent aan een vreemdeling op wie de Dublinverordening van toepassing is op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, c of g, van het Vb louter een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als slachtoffer van mensenhandel dan wel als getuige-aangever nadat het OM heeft bericht dat de aanwezigheid van de vreemdeling noodzakelijk wordt geacht in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel.
6. De rechtbank constateert dat verweerder het juiste toetsingskader heeft gehanteerd. Voor de datum van indiening van de aanvraag is verweerder terecht uitgegaan van de kennisgeving van de aangifte door de politie op 14 november 2019.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel ‘humanitair tijdelijk’. De verblijfsvergunning die naar aanleiding van een aangifte mensenhandel wordt verleend, voorziet in de mogelijkheid om mee te werken aan strafvervolging. Uit de beslissing van het OM van 22 november 2019 blijkt dat er geen strafrechtelijke vervolging is ingesteld omdat Nederland geen rechtsmacht heeft voor de feiten waarvan eiser aangifte heeft gedaan. Gelet daarop voldoet eiser niet aan de voorwaarde zoals gesteld in artikel 3.48, eerste lid, sub a, van het Vb in combinatie met paragraaf B8/3 van de Vc.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat verweerder vanwege de lopende beklagprocedure hem ten minste een tijdelijk verblijfsrecht had moeten verlenen. Verweerder heeft in zijn verweerschrift terecht opgemerkt dat een beklagprocedure op zich geen recht op verblijf geeft en dat het recht op een verblijfsvergunning op grond van paragraaf B8/3 van de Vc pas herleeft nadat het beklag gegrond is verklaard.
8. Verweerder heeft beoordeeld of er in het geval van eiser op grond van artikel 4:84 van Pro de Awb [10] aanleiding is om wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van zijn beleid en om zijn aanvraag toch in te willigen. Verweerder heeft die vraag ontkennend beantwoord, omdat bijzondere omstandigheden niet zouden zijn aangevoerd en dergelijke omstandigheden hem ook niet bekend zijn.
De rechtbank ziet in de beroepsgronden ook geen bijzondere omstandigheden vermeld op grond waarvan verweerder van zijn beleid had moeten afwijken. Eiser heeft een beroep gedaan op artikel 8 EVRM Pro en heeft in dat verband aangevoerd dat hij doende is zich te wortelen in de Nederlandse samenleving en dat hij een privéleven aan het opbouwen is. Verweerder heeft eiser dienaangaande mogen tegenwerpen dat hij deze stelling niet heeft onderbouwd en dat hij reeds daarom geen reden ziet om een privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro aan te nemen. Ten aanzien van het beroep van eiser op de ‘interim measures’ die zijn getroffen door het EHRM en de opmerking dat overdrachten aan Italië in verband met het coronavirus voor onbepaalde tijd zijn opgeschort heeft verweerder terecht opgemerkt dat deze ook geen recht op een verblijfsvergunning ‘humanitair tijdelijk’ opleveren.
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de vergunning van eiser terecht heeft afgewezen.
Het beroep is ongegrond.
10. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2021.
De rechter is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend
2.zittingsplaats Middelburg, uitspraak 5 november 2019, zaaknummer NL19.22641
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, uitspraak 20 november 2019, zaaknummer 201908189/1/V1
4.Beslissing van 22 november 2019
5.Openbaar Ministerie
6.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden
7.Vreemdelingenwet 2000
8.Vreemdelingenbesluit 2000
9.Vreemdelingencirculaire 2000
10.Algemene wet bestuursrecht