Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 mei 2021 in de zaken tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Procesverloop
Overwegingen
Geschil9. In geschil is of de beroepen ontvankelijk zijn. Zo deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is in geschil of de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen terecht aan eiser zijn opgelegd. Ook is in geschil of verweerder alle op de zaken betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en of verweerder een dwangsom heeft verbeurd.
- de oorspronkelijke aangiften;
- het rapport van de besprekingen op 23 januari 2017 en op 30 januari 2017;
- de werkwijze en de resultaten van het derdenonderzoek in Suriname;
- de resultaten van ruggenspraak binnen de belastingdienst en de overwegingen die hebben geleid tot beslissingen;
- de (cijfermatige) opstelling die aanleiding was om een boekenonderzoek in te stellen;
- de stukken waar het compromisvoorstel van 1 maart 2017 deel uitmaakt;
- het verslag van de behandeling van het compromisvoorstel;
- de rapporten van eerdere boekenonderzoeken;
- eventuele informatie met betrekking tot fraudeverdenking.
Bewijslastverdeling
Beslissing
- verklaart het beroep met zaaknummer SGR 19/5946 ongegrond;
- verklaart de beroepen met de zaaknummers SGR 19/5944, SGR 19/5948 en
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover betrekking hebbend op de tijdvakken 2010, 2012 en 2013-2014;
- vermindert de naheffingsaanslag over het tijdvak 2010 tot € 2.803, de naheffingsaanslag over het tijdvak 2012 tot € 555 en de naheffingsaanslag over het tijdvak 2013-2014 tot € 11.007 en draagt verweerder op de rentebeschikkingen dienovereenkomstig te verminderen;
- vermindert de verzuimboete voor het tijdvak 2012 tot € 49 en de vergrijpboete voor het tijdvak 2013-2014 tot € 2.338;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.602;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 3.125 en veroordeelt de Staat tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 375;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174 aan eiser te vergoeden.