De zaak betreft een verzoek tot ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2009, ingediend door de Raad voor de Kinderbescherming. De minderjarige verblijft bij haar vader, die eenhoofdig ouderlijk gezag heeft. De zorgen betreffen vooral de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarige en de problematische relatie met haar moeder.
Ondanks inzet van vrijwillige hulpverlening is de situatie niet verbeterd en is de problematiek te complex geworden. De vader heeft ingestemd met het verzoek en benadrukt dat hij altijd openstond voor hulp, maar dat deze niet het gewenste resultaat heeft gehad. De gecertificeerde instelling ondersteunt het verzoek en benadrukt de noodzaak van regievoering over de hulpverlening.
De kinderrechter oordeelt dat de wettelijke gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn. De stagnatie in de ontwikkeling en de moeizame band met de moeder vormen een concrete bedreiging. De vader biedt een stabiele opvoedingssituatie, maar kan de problemen rondom het contact met de moeder niet oplossen. Daarom wordt de ondertoezichtstelling voor twaalf maanden toegewezen om de jeugdbeschermer de regie te laten voeren en de vader te ondersteunen.
De beschikking is op 14 mei 2021 mondeling gegeven en schriftelijk vastgesteld op 26 mei 2021. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.