Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2021:5468

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 mei 2021
Publicatiedatum
31 mei 2021
Zaaknummer
NL21.6490
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30c Vw 2000Art. 62 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens vertrek asielzoeker met onbekende bestemming

Eiser, een Marokkaanse asielzoeker, diende op 23 januari 2021 een asielaanvraag in. Vanwege twijfel over zijn leeftijd werd hem een leeftijdsonderzoek aangeboden, waarvoor hij op 25 januari 2021 toestemming gaf. Echter, op 10 maart 2021 vertrok eiser met onbekende bestemming, zonder mededeling aan de autoriteiten of zijn gemachtigde. Hierdoor werd aangenomen dat hij niet meer meewerkte aan het onderzoek en werd zijn meerderjarigheid aangenomen, waardoor hij niet in aanmerking kwam voor het beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen.

De staatssecretaris stelde de asielaanvraag buiten behandeling en legde een inreisverbod van twee jaar op. Eiser en zijn gemachtigde verschenen niet op de zitting en gaven geen reactie op het voornemen. De gemachtigde voerde aan dat het besluit onterecht was vanwege het ontbreken van onderzoek naar verblijf en minderjarigheid, en dat het inreisverbod onterecht was omdat geen risico op onttrekking aan toezicht kon worden vastgesteld.

De rechtbank verwijst naar jurisprudentie waarin is bepaald dat vertrek met onbekende bestemming impliceert dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming, tenzij contact met gemachtigde wordt onderhouden. Nu eiser noch zijn gemachtigde heeft laten blijken dat hij nog in Nederland verblijft of contact onderhoudt, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact onderhoudt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.6490

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H.E. Visscher),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. de Jong).

ProcesverloopBij besluit van 21 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2021. Eiser en zijn gemachtigde zijn, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser heeft op 23 januari 2021 een asielaanvraag ingediend. Bij de beoordeling van die aanvraag is twijfel ontstaan over de leeftijd van eiser, waardoor eiser een leeftijdsonderzoek is aangeboden. Op 25 januari 2021 heeft eiser het formulier model M39-C met het verzoek om een leeftijdsonderzoek ondertekend. Eiser is erop gewezen dat hij beschikbaar moet blijven voor het leeftijdsonderzoek. Vervolgens bleek eiser op 10 maart 2021 met onbekende bestemming te zijn vertrokken. Dit volgt uit de registratie van het COA in het systeem van verweerder. In een brief van 6 april 2021 heeft verweerder aan Stichting Nidos, de voogd van eiser, medegedeeld dat dit vertrek van eiser met onbekende bestemming wordt aangemerkt als het niet meewerken aan het leeftijdsonderzoek. Hierdoor wordt de meerderjarige leeftijd van eiser aangenomen en komt eiser niet in aanmerking voor een verblijf of behandeling op grond van het beleid voor alleenstaande minderjarige asielzoekers en vreemdelingen. Verweerder heeft op 7 april 2021 een voornemen uitgebracht. Eiser heeft hier niet op gereageerd middels een zienswijze. Bij besluit van 21 april 2021 heeft verweerder de asielaanvraag buiten behandeling gesteld. Eiser is medegedeeld dat hij Nederland onmiddellijk dient te verlaten en aan eiser is een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.
3. Gemachtigde van eiser voert aan dat eiser het niet eens is met het bestreden besluit. Gemachtigde voert hiertoe aan dat verweerder niet had mogen overgaan tot het nemen van het bestreden besluit nu het onduidelijk is waarom eiser niet is verschenen. Verweerder heeft volgens gemachtigde de beschikking binnen de gestelde termijn van twee weken genomen en eveneens geen onderzoek gedaan naar het verblijf van eiser bij Nidos. Gemachtigde betoogt dat er geen rekening is gehouden met het feit dat eiser minderjarig is. Gemachtigde voert verder aan dat verweerder ten onrechte heeft besloten dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten op grond van artikel 62, eerste lid, van de Vw, nu niet met zekerheid kan worden gezegd dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Hierdoor is het inreisverbod voor de duur van twee jaar volgens gemachtigde ook ten onrechte aan eiser opgelegd.
4. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 februari 2019 (ECLI:RVS:2019:579) volgt dat indien een vreemdelingen die in Nederland bescherming heeft gevraagd, met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel vanuit dient te worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en dat hij met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
5. Eiser heeft niet aan de rechtbank laten weten dat hij nog in Nederland verblijft en prijs stelt op bescherming. Ter zitting is ook niet gebleken dat de gemachtigde van eiser weet of eiser nog in Nederland verblijft, waar eiser verblijft en of eiser nog contact onderhoudt. De rechtbank gaat er daarom van uit dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid vanmr. D.M. Biermann, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.