ECLI:NL:RBDHA:2021:5315
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering verblijfsvergunning regulier op grond van familie- en gezinsleven artikel 8 EVRM
Eiser, een Gambiaanse nationaliteit bezittende vreemdeling, heeft sinds 2009 in Nederland verbleven en meerdere verblijfsvergunningen aangevraagd, waaronder een regulier verblijf op grond van familie- en gezinsleven volgens artikel 8 EVRM Pro. De staatssecretaris heeft zijn aanvraag afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het niet vrijgesteld zijn van het mvv-vereiste.
De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser en de referente samenwonen en zich presenteren als partners in een duurzame en exclusieve relatie, ondersteund door een samenlevingsovereenkomst en relatieverklaring. Verweerder stelde echter tegenstrijdigheden en onduidelijkheden vast in de verklaringen en communicatie tussen partijen, waaronder verschillen in data van samenwoning en inconsistenties in verklaringen over hun relatie.
De rechtbank oordeelt dat deze tegenstrijdigheden niet zodanig zijn dat er redelijkerwijs aan het bestaan van een beschermenswaardige relatie getwijfeld moet worden. Desondanks concludeert de rechtbank dat het onthouden van de verblijfsvergunning geen ongerechtvaardigde inbreuk vormt op het familie- of gezinsleven, mede vanwege het belang van de Nederlandse staat bij een restrictief migratiebeleid, het feit dat eiser illegaal verbleef en een inreisverbod had, en het ontbreken van voldoende onderbouwing dat terugkeer naar Gambia onmogelijk is.
De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat het mvv-vereiste niet als onevenredig hardheid kan worden aangemerkt in deze situatie. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die vrijstelling rechtvaardigen. De uitspraak is gedaan door rechter J.F.I. Sinack op 30 april 2021.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de verblijfsvergunning regulier wordt ongegrond verklaard.