ECLI:NL:RBDHA:2021:5249
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ontbreken asielmotieven en geen schending gezinsleven
Eiser, van Iraakse nationaliteit, diende op 22 maart 2019 een asielaanvraag in om zich bij zijn vrouw en kinderen in Nederland te voegen. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond omdat eiser geen asielmotieven had onderbouwd. Eiser betoogde dat de afwijzing in strijd was met zijn recht op gezinsleven zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro, mede gelet op zijn rechtmatig verblijf op grond van het EU-arrest Chavez-Vilchez.
De rechtbank stelde vast dat het beroep op asielmotieven was ingetrokken en richtte zich op de vraag of het besluit een inmenging vormde in het gezinsleven. De rechtbank oordeelde dat het besluit geen terugkeerbesluit is en dat het gezinsleven niet wordt beëindigd. Volgens jurisprudentie van het EHRM (arrest Jeunesse) kunnen personen die gezinsleven opbouwen tijdens onrechtmatig verblijf in beginsel geen rechten ontlenen aan artikel 8 EVRM Pro, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen.
De rechtbank vond dat verweerder de belangenafweging zorgvuldig had gemaakt en dat geen bijzondere omstandigheden waren aangetoond die een positieve verblijfsverplichting op grond van artikel 8 EVRM Pro rechtvaardigen. Het feit dat het gezinsleven werd opgebouwd tijdens een periode van onzeker verblijf en dat het gezin veilig in Irak heeft gewoond, woog zwaar. Ook de aanpassingsmogelijkheden van de kinderen en het feit dat terugkeer momenteel niet aan de orde is, werden meegewogen.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.